
Tell al Rimah, naam van een ruïneheuvel met een
diameter van 600 m rond een centraal deel, 13 km
zuidelijk van Tell Afar, in het Sinjār-district van
Noord-Irak. Tussen 1964 en 1971 vonden er zes opgravingscampagnes
plaats onder leiding van D. Oates;
er is nog geen eindrapport. De belangrijkste
gebouwen zijn een tempel met een aangrenzende
ziqqurrat, waarvan de buiten- en hofmuren geleed
zijn door in nissen geplaatste kolommen van speciaal
gevormde mudbrick, die palmboomstammen
nabootsen. Dit soort decoratie lijkt typerend voor
de tijd van Šamši-Adad I, zoals recente vondsten
uit Tell Leilān (= Subat-Enlil?) lijken te bewijzen.
Een restauratiefase van de tempel zou in het laatste kwart van de 15e eeuw vC eindigen, terwijl het laatste gebruik van de vervallen resten in de middelassyrische tijd valt. Belangrijk is dat uitgebreid gebmik van mudbrick gewelven kon worden vastgesteld, ook voor het terras buiten de tempel. De ziqqurrat is over een prehistorische nederzetting gebouwd.
In de nieuwassyrische tijd is een kleine tempel in die ruïne gebouwd. Verder is er uit de oudbabylonische tijd, kort na Samsi-Adad I, een paleis vastgesteld, waarboven zich ook bebouwing uit de periode tot 1200 vC bevond, en een in twee fasen te verdelen nieuwassyrische bebouwing, die opgegeven werd in de laatste jaren van het assyrische rijk. Onder het paleis bevindt zich een ouder administratief gebouw uit de tijd van Samsi-Adad I.
Bij de opgravingen werden in totaal ca. 400 spijkerschriftteksten
gevonden, waaronder een stèle van
koning Adadnirāri III van Assyrië uit kort na
800 vC, waarin Joas (Ja'asu) van Samaria vermeld
wordt als tribuutbrenger. Ca. 60 teksten uit de 13e
eeuw vormen de resten van particuliere archieven
uit de middelassyrische tijd. De meeste teksten stammen
uit de oudbabylonische tijd (18e eeuw vC), met
als voornaamste groep het zogenaamde archief van
Iltani, een plaatselijke prinses, dochter van de laatste
vorst Askur-Addu. Het naar assyrische jaareponiemen
gedateerde archief loopt tot ca. 1760 vC,
toen Hammurapi de stad onderwierp. De teksten
werpen licht op politiek, economie, godsdienst en
persoonlijke zaken, en hebben veel raakpunten met
de teksten uit Mari, waarin verschillende vorsten
van T. al R. voorkomen, meestal als bondgenoten
of vazallen van Zimrilim. T. al R. wordt thans
vrij algemeen geïdentificeerd met de oude stad
Karana, maar volledige zekerheid is er niet; sommigen
vermoeden Qatara, vooral op grond van de jongere
teksten.
Lit. D. Oates, Preliminary Reports (Iraq 27, 1965, 62-80; 28, 1966,
122-139; 29, 1967, 70-97; 30, 1968. 115-138; 32, 1970, 1-26; 34,
1972, 77-86). - H. W. Saggs/D.J. Wiseman, The T. al R. Tablets
1965/1966 (Iraq 30, 1968, 154-205). S. Page, A Stela of Adad-Nirari
III and Nergal-Ereš from T. al R. (ib. 139-153). J. Oates, Late
Assyrian Temple Furniture from T. al R. (ib. 36, 1974, 179-184). S.
Dalley/C.B. Walker/J.D. Hawkins, The Old Babylonian Tablets
from T. al R. (London 1976). [van Driel/Veenhof]