Tchoga Zanbil

kaartTchoga Zanbil, moderne naam voor Dur-Untaš, de nieuwe hoofdstad die 30 km ten zuidoosten van Susa gebouwd werd door de elamitische koning Untas-Naprisa (ca. 1265-1245). Het ommuurde stadsgebied besloeg 1 km² en daarvan waren 16 ha omsloten door een tweede muur en gereserveerd voor de aanleg van heiligdommen. Binnen deze temenos omsloot een derde muur het plaveisel waarop nog heden ten dage de omvangrijkste tempeltoren (ziqqurrat) van West-Azië verrijst (Foto hiernaast). Dit met bakstenen beklede gebouw bestond uit vier in elkaar passende terrassen, waarvan het buitenste 105 x 105 en het binnenste 35 X 35 m mat. Op laatstgenoemd terras, 44 m boven de begane grond, moet een met blauw-groen geglazuurde bakstenen beklede boventempel hebben gestaan, het nachtverblijf der goden Humban en Inšušinak (deze en vele andere inlichtingen danken wij aan de 6000 beschreven bakstenen die men vond). De poorten die toegang gaven tot de vier trappen waren geflankeerd door geglazuurde aardewerken stieren en griffioenen, aan de twee hoofdgoden gewijd. De dag- of benedentempel van Inšušinak was in het onderste terras ingebouwd.

De voorganger hiervan was naar binnen gekeerd en 'alleen toegankelijk zolang de tweede en verdere terrassen nog niet gebouwd waren. Binnen de geplaveide ommuring stonden nog ter weerszijden van een T-vormige steeg de tempels der godinnen Kiririša en Išnikarab. Hier kwamen een aantal door Untaš-Napriša gewijde bronzen wapenen te voorschijn, alsmede een bijl van zilver en goud, versierd met leeuwenmuil en wild zwijn. De meeste dierfiguurtjes stelden ook wilde zwijnen voor.

In de binnenste ommuring waren ook enige 'kapellen' opgenomen, die blijkbaar voor het bewaren van wijgaven dienden. Kapel IV bevatte 74 13e-eeuwse zegels van glas en glaspasta, veelal in kassitische stijl. Kapel III bevatte 45 zegels, veelal van glaspasta, die meest uit de 12e en 11e eeuw lijken te stammen en dikwijls een koningsmaal afbeelden, met het opschrift 'bij de god is leven, bij de koning is redding.'

Buiten de binnenste ommuring stonden de benedentempel van Humban, die ook als Naprisa (grote god) bekend is, alsmede de heiligdommen van 15 andere godheden. De tempel van de liefdesgodin Pinikir bevatte vaatwerk van glaspasta in de vorm van vrouwenkoppen, figuurtjes van biddende vrouwen, muzikanten, apen, rammen en duiven. In de tempel van de dondergod Adad lag een blauw geglazuurde aardewerken stier (half levensgroot) met opschrift ' ... een geglazuurde aardewerken dondergod heb ik (Untas-Naprisa) gemaakt ... 'Tenslotte stond binnen de temenos nog een met blauwe tegels beklede toren, genaamd 'licht der kimmen', die voor astronomische observaties gediend zou kunnen hebben.

In de buitenstad zijn drie 'paleizen' opgegraven. In de troonzaal van paleis I vond men resten van een met ivoren genii en bokken versierde troon. Onder een vleugel van dit gebouw bevonden zich de gewelven van baksteen en asfalt waarin de as van gecremeerde leden der koninklijke familie, in rode wol gewikkeld, was bijgezet. Tussen de as bevonden zich resten van wapenen, sieraden en vaatwerk van goud, zilver, lazuursteen enz. Een dienares was niet gecremeerd. Belangwekkend is in de buitenstad ook de 'zetel' van de lichtgod Nusku, een tempel met 13 m brede cella, die blijkbaar nooit overdekt was. Op de eerste bewoningsfase van ca. 1250 tot 1000 lijkt een periode van verwaarlozing te zijn gevolgd van ca. 1000 tot 750. Daarna werden de meeste gebouwen leeggeruimd en in de ingang werden treden aangelegd die van het sterk verhoogde straatniveau naar binnen leidden. Over het verhoogde niveau tussen de tempels van Kiririsa en Isnikarab werd een bakstenen vloer gelegd en de T-vormige steeg werd ingericht als een kapel voor de babylonische god Nabu. De rampzalige oorlog van Assurbanipal tegen Elam, ca. 640 vC, betekende ook het einde van Dur-Untas. In de parthische tijd werden de ruïnes alleen nog door schaapherders gebruikt. Opgravingen werden in T.Z. verricht van 1936 tot 1939 onder leiding van R. de Mecquenem, van 1951 tot 1962 van R. Ghirshman.


Lit. R. de Mecquenem, Recherches à Tchoga Zembil (Mémoires de la Délégation Archéologique en Iran 33, Paris 1953). Uitvoerige opgravingsverslagen in Tchoga Zanbil 1-4 (ib. 39-42, 1966-1970): 1. R. Ghirshman, La ziggurat (39, 1966); 2. Id., Temenos, Temples, Palais, Tombes (40, 1968); 3. M.-J. Stève, Textes élamites et accadiens (41, 1967); 4. E. Porada, La glyptique (42, 1970). [van Loon]


Kaart