Baba

Baba (of Ba'u), sumerische stadsgodin van Lagas en Girsu. De sumerische naam luidt vermoedelijk Ba-ba; anderen lezen Bawa of Bawu, vroeger vooral Ba'u. B. geldt als oudste dochter van de oppergod An(u), en behoort zo tot dezelfde generatie van goden als Enlil en Enki. In Girsu was zij de echtgenote van Ningirsu, zoon van Enlil. Deze genealogische oneffenheid verklaart men uit de historisch bepaalde samensmelting van het pantheon van Lagas (ouder) en Girsu (jonger). Als vrouwe van Lagas kreeg zij epitheta als 'goede vrouwe', 'moeder', 'vrouwe van de overvloed', 'vrouwe van het verloren goed', 'rechter van de stad'. In later tijd, toen de oude stadsgoden door syncretisme hun typische karakter verloren, werd zij o.a. geïdentificeerd met de godin van de geneeskunst, in de theologie met tal van godinnen, en fungeerde zij o.a. als echtgenote van Zababa. Deze verschuivingen hangen samen met de sinds de oud-babylonische tijd afnemende betekenis van haar stad Lagas.

Zij woonde in de tempel E-tar-sir-sir, in de sacrale wijk van Girsu. Een lied op haar tempel was opgenomen in de cyclus van sumerische tempelhymnen (ZA 39, p. 262, no. 20). Zij is met name bekend uit de teksten van Gudea. Zijn standbeelden E en H waren aan haar gewijd; de grote tempelbouwhymne van Gudea bevat een gebed tot haar (Cyl. B II, 23v) en beschrijft haar intocht in het Eninnu (ib. V, 10v). Voorts is een lied op Baba met voorbede voor Gudea bewaard. Ook in veel later tijd zijn hymnen op haar gecomponeerd.


Lit. E. Ebeling (MVAEG 23, 1, 49-52). Id. (RLA 1, 432v). K. Tallqvist, Akkadische Götterepitheta (1938) 268-270. A. Fa1kenstein/W. von Soden, Sumerische und akkadische Hymnen und Gebete (1953; Sumerische Hymnen nr. 9, 16 en 19). W. H. Ph. Römer, Sumerische 'Königshymnen der Isin-Zeit' (Leiden 1965) 236-265 ('Hymne an Baba mit Fürbitte für R3me-Dagan'). A. Falkenstein, Die Inschriften Gudeas von Lagas 1 Einleitung (1966). B. Zum Pantheon von 'Lagas', nr. 7 (63-67). [Veenhof]


Lijst van Goden