De Maatschappij in de Keizertijd
Gedurende de keizertijd ondergingen de sociale klassen een
evolutie die betrekking had op
de edelen, de middenklasse en het leger.
Bij de
nobiles was er een verandering: nieuwe rijken waren gekomen in de
provincies
en vele van hen begonnen deel uit te maken van de
senaat. Tekens van hun rijkdom waren de grote huizen en de overdadige
maaltijden.
In de provinciesteden begunstigden de Romeinen
de vorming van een actieve
klasse van burgers: landeigenaren, handelaars, ambtenaren.
In de Romeinse burgerij konden ook de
vaklui die eigenaar waren van grote werkplaatsen
en die zich verenigden in standsorganisaties, een plaats vinden.
Ook het
leger vertoonde, onder de
Flavii
en de
Antonini,
een hoge graad van efficiency.
In de legioenen dienden veel provincialen, die na het einde van hun diensttijd
het
Romeinse burgerrecht verkregen. Soldaat zijn betekende niet alleen vechten, maar ook
land koloniseren, wegen bouwen, bruggen
en fortificaties maken, het centrum bouwen
van toekomstige steden en waken over de burgerij en hun veiligheid.
De toestand
van het Romeinse plebs was daarentegen niet veranderd.
De staat moest ook het onderhoud op zich nemen van ongeveer 200.000
nietsdoeners,
die, als gold het een recht, aanspraak maakten op gratis voedselverdelingen en
op gratis
schouwspelen (panem et
circenses). Aan de andere kant verkozen de keizers het om op die manier de gunst
van het plebs te zoeken.