Salome
Salome (aramees šelamsāh, grieks Σαλώμη, joodse
vrouwennaam. Het bekendst zijn:
(1) Salome, zuster van koning
Herodes de Grote.
Zij regeerde over Iamnia, Azotus, Phasaelis en Archelaïs,
welke gebieden haar door haar broer geschonken
waren. Bij haar dood in 10 nC vermaakte
ze deze bij testament aan keizer Augustus' gemalin
Livia. S. liet haar beide eerste echtgenoten, Iosephos
en Kostobaros, ombrengen en bewerkte de
terechtstelling van haar schoonzuster Mariamne
(29 vC) en van de zonen van deze, Alexander en
Aristobulus (7 vC).
(2) Salome, dochter van
Herodes Philippus en Herodias.
Laatstgenoemde ging een verhouding aan met
Herodes Antipas, een halfbroer van Herodes
Philippus. Op een verjaardagsfeest van
Herodes
Antipas danste S. voor de aanwezige gasten en
vroeg op instigatie van haar moeder het hoofd van
Johannes de Doper als beloning (Mt 14,6-11);
deze geschiedenis heeft in de loop der eeuwen talloze
schrijvers, componisten
en beeldende kunstenaars
geïnspireerd. S. was eerst gehuwd met de tetrarch
Philippus, later met Aristobulus, een kleinzoon
van
Herodes de Grote.
(3) Salome, de vrouw van Zebedeüs, moeder van de
apostelen Jacobus de oudere en
Johannes.
Zij sloot zich in Galilea bij Jezus aan en keek bij
diens kruisiging uit de verte toe, evenals Maria
Magdalena en Maria,
de moeder van Jezus (Me
15,40.,16,1).
[Nuchelmans]