Esietus, bij Tertullianus, de baptismo 5, is een hapax
legomenon waardoor de auteur de griekse uitdrukking
ὁ γενόμενος Ἑσιης tracht weer te geven. De
persoonsnaam Ἑσιης, Ἁσιης transcribeert de koptisch-bohairische
vorm esjé en de sahidische hasjé,
die aan egyptisch hsy beantwoorden. Dit woord, dat
'de geprezene' betekent, wijst op personen die in de
Nijl verdronken zijn en daarom als god, of tenminste
als een soort heilige vereerd worden. Herodotus 2,90
kent het bestaan van dit verschijnsel. Men heeft de e.
vergeleken met de islamische heiligen die in het
oostelijk deel van de arabische wereld sjeich en in
het westelijk deel marabu genoemd worden. Aan de
grondslag van deze verering ligt de gelijkenis met
Osiris, die volgens een van de versies van de mythe
in de Nijl verdronk; langs het syncretisme Re-Osiris
ontstond ook een betrekking tot de zonnegod. Toch
zijn sporen van deze cultus eerst sinds de 4e eeuw vC
bekend en hij blijft bestaan tot in de romeinse
periode. Begraafplaatsen van e. kwamen vooral te
Thebe, Koptos en Hermupolis voor. Te Dendur, in
Nubië, werd ten tijde van Augustus een kleine kapel
aan de gebroeders Padiese en Pahor gewijd. De vergoddelijking
van Antinoüs gaat ten dele op de
egyptische voorstellingen betreffende de e. terug.
Lit. F. J. Dölger, Esietus. 'Der Ertrunkene oder zum Osiris
Gewordene' (Antike u. Christentum 1, 1929, 174-183). F. Ll.
Griffith, Herodotus II. 90. Apotheosis by Drowning (ZAeS
46, 1909, 132-134. Margaret A. Murray, The Cult of the
Drowned in Egypt (ibid. 51, 1914, 127-135). W. Spiegelberg
(ibid. 53, 1917, 124v.). H. Kees, Apotheosis by Drowning
(Studies F. Ll. Griffith; London 1932, 402-405). Mustafa elAmir
(JEA 37, 1951, 81-85). A. Herrmann (RAC 6, 375-380;
383; 394-396). RÄR 859. [Vergote]