Taharka

Taharka, vierde koning van de 25e egyptische dynastie, broer en opvolger van Sjabataka. In het assyrisch wordt zijn naam Tarku geschreven, in het hebreeuws Tirhaqah, door Manetho Ταρακος, door Strabo Τεαρκω. Hij regeerde ca. 690-664 vC. Reeds in het begin van zijn regering ontbood Sjabataka hem met nog andere broeders en met een leger naar Egypte en hij zond hen naar Palestina om koning Hizkia tegen Sanherib te helpen (701 vC).

Indien 2 Kg 19,9 en Js 37,9 T. reeds dan 'koning van Kusj' noemen en indien de stèle Kawa IV (ed. M. F. Macadam, The Temples of Kawa 1, London 1949) van hem als van 'zijne Majesteit' spreekt, dient dit verstaan te worden als 'de toekomstige koning'. Ook een mederegentschap van T. en Sjabataka, door Macadam verdedigd en door de meeste oudtestamentici aanvaard, wordt vrij algemeen door de egyptologen verworpen.

De periode van rust, in het begin van T. 's regering, wordt door een grote bouwbedrijvigheid gekenmerkt, inzonderheid te Thebe (kolonnade van T. in de eerste hof van de tempel van Amon, zie afb. 65B,22 en ook vóór de kleinere tempels van Karnak), doch ook op talrijke plaatsen in Nubië (Kawa, Napata, Sanam, Buhen enz.). Thebe adopteerde de godsgemalin Sjepenupet II tot haar opvolgster Amenardis II, dochter van T. In de Delta bleven de locale dynasten aan het bewind.

In 674 vC, het 7e jaar van Assarhaddon van Assyrië, viel deze Egypte aan en werd door T. verslagen (ANET 302b). Drie jaar later echter (in 671), na drie bloedige gevechten, veroverde hij Memphis en nam er leden van de koninklijke familie gevangen.

Een opstand verplichtte hem in zijn 12e jaar (669 vC) een nieuwe veldtocht naar het Nijlland te ondernemen, doch hij stierf onderweg (ANET 302b-303a).

Eerst in 667/666 vC kon zijn opvolger, Assurbanipal, tegen Egypte oprukken. In de beroemde Rassam-cylinder (ANET 294-296a; zie ook 296a-297a) liet hij een omstandig relaas na van de nu volgende gebeurtenissen. Assurbanipal versloeg T., die naar Thebe vluchtte, en verplichtte hem daarna, dcor de inname van Thebe, de wijk te nemen naar Napata. Al de locale dynasten, onder leiding van Necho, de vorst van Saïs en Memphis, onderwierpen zich en werden in hun ambt bevestigd. Onder hen bevond zich Montuemhat van Thebe.

Nauwelijks was de Assyriër naar Ninive teruggekeerd of de stadsvorsten complotteerden tegen hem met T. (waarschijnlijk 665 vC). Zijn garnizoenen onderdrukten echter het oproer. Zij doodden de inwoners van Saïs, Mendes en Pelusium (assyrisch Si'inu, vgl. hebreeuws Sîn) en zonden de opstandige vorsten naar Ninive. Alleen Necho vond genade en werd als koning van Saïs teruggestuurd. Zijn zoon Nabusjesibanni (Psammetichus) werd tot stadvorst van Athribis aangesteld.

T. stelde zijn neef Tanutamon tot opvolger aan en stierf te Napata; hij werd in een piramide te Nûri begraven.

De naam van de nieuwe koning wordt in de assyrische annalen Urdamane gelezen, doch dient in Tant-amane verbeterd te worden (voor de waarde UR - tàn, zie Kitchen (Lit.) 149, noot 276). Vertrouwend op een droom waarin hem de heerschappij over Egypte en Nubië beloofd was (vertaling van de 'droomstèle' in Breasted ARE § 921-934) voer Tanutamon naar Thebe, viel de Delta binnen en nam Memphis in (664 vC). Bij deze gelegenheid sneuvelde vermoedelijk Necho; zijn zoon Psammetichus vluchtte naar Assyrië (Herodotus 2,152: Sabakòs staat hier voor Tanutamon). De dynasten van de Delta onderwierpen zich aan Tanutamon. Assurbanipal zond opnieuw een leger naar Egypte (664/ 663), dat eerst Memphis en daarna Thebe innam. Ditmaal werd Thebe geplunderd en de Assyriër voerde een rijke buit mee naar zijn land. Psammetichus werd als vazal gereïnstalleerd in Saïs, Memphis en Athribis en luidde de 26e dynastie in. In Thebe waren Montuemhat en de godsgemalin Sjepenupet II de feitelijke meesters. Hoewel Tanutamon naar het zuiden gevlucht was, bleef men de officiële acten tot in 656 vC naar hem dateren. Hij werd te el-Kurru begraven.


Lit. Drioton/Vandier 547-555, 563v, 567, 570-572, 675v. A. Gardin-er, Egypt of the Pharaoh's (Oxford 1961) 345-350. - H. van Zeissl, Äthioper und Assyrer in Ägypten (Ägyptologische Forschungen 14, Glückstadt 1944). J. Janssen, Que sait-on actuellement du pharaon Taharqa? (Orientalia 34, 1953, 23-43). K.A. Kitchen, The Third Intermediate Period in Egypt (Warminster 1972) 156-173, 387398). [Vergote]


Lijst van Koningen