Sju

tekeningSju, oudegyptische god, lid van de Enneade van Heliopolis (Negental). Hij vormde met Tefnut het eerste godenpaar, dat door Atum verwekt werd en zelf het ontstaan gaf aan Geb, de aarde, en Nut, de hemel. S. geeft egyptisch sw weer, dat 'ledig' betekent, en wordt in het grieks als Σως geschreven.

S. wordt afgebeeld als een man die een veder, d.i. de hiëroglief van zijn naam, op het hoofd draagt. Hij verpersoonlijkt de lucht en de atmosfeer; daarom wordt hij voorgesteld als een god die met beide armen het lichaam van Nut opheft boven Geb, die op de grond ligt uitgestrekt. Door het syncretisme van Atum met Re ging S. ook als 'zoon van Re' een nauwe verbinding met de zonnegod aan. Toen het oog van Re, verpersoonlijkt door Tefnut, zich van hem verwijderde en onder de gedaante van een wilde leeuwin in de nubische woestijn ronddwaalde, trokken S. en Thot, op bevel van Re, haar achterna en wisten haar over te halen om naar Egypte terug te keren. In deze hoedanigheid wordt S. soms vereenzelvigd met de god Onuris, wiens naam betekent 'hij die de verre (godin) gehaald heeft'; anderzijds wordt hij ook genoemd 'de goede gezel' van de godin, iry bms nfr, in het grieks Ἀρενσωουφις'. Onder dit epitheton wordt hij vaak als een nubische S. van de egyptische S. onderscheiden en gelijkgesteld met de nubische god Dedun.

De leeuwengestalte van Tefnut bracht met zich mee dat zij en ook S. versmolten met het goddelijke leeuwenpaar van Leontopolis, wiens oorspronkelijke naam Ruti luidde. Op deze wijze werd de kosmische god tot een locale godheid, met een cultusplaats. Met de bovenvermelde mythe van het zonneoog lopen egyptische teksten parallel die betrekking hebben op het oog van de maan. Langs deze weg ontstond een verhouding van S. tot Chonsu en Thot.


Lit. RÄR 685-689. [Vergote]


Lijst van Goden
.