
![]()
Jaffa of Jafo (hebr. jāfō: de schone of: haven?; vgl. BZ N.F.
5, 1961, 84; arab. jāfa), zeer oude, reeds in het stenen
tijdvak bewoonde stad aan de Middellandse Zee.
Ze wordt vermeld sinds de veldtochten van Thutmosis
III (1481-1449) tegen Syrië (inscriptie op de
muren van de Amon-tempel te Karnak; tekst in
ANET 22v; vgl. 478a) en in de Amarnabrieven en
assyrische koningsinscripties. Ofschoon Joz 19,46
het gebied tegenover J. bij Dan rekent, bleef J. feitelijk
in handen van de Filistijnen. De Israelieten
maakten evenwel gebruik van de haven van J., toen
de enig bruikbare aan de palestijnse kust. Jona (1,3)
kreeg er passage op een schip dat naar Tarsis zou
varen, en volgens Ezr 3,7 werd daar cederhout, bestemd
voor de wederopbouw van de tempel te Jeruzalem,
aangevoerd.
Blijkens een inscriptie van Esmunazar
was J. gedurende het perzische tijdvak in
handen van de Feniciërs. Eerst in 144 vC gelukte
het Simon de stad (nu grieks Ἰόππη) te veroveren en
te judaïzeren (IM 10,75v; 11,6; 12,33; 13,11; 14,5.
34; 15,28.35; 2M 12,3-7). Ze werd door Pompeius
bevrijd en bij de romeinse provincie Syrië ingelijfd,
door Iulius Caesar weer bij de joodse staat gevoegd;
daarna bleef J., met uitzondering van de jaren 3450,
in joodse handen. Petrus woonde er geruime
tijd (Hand 9,43); hij wekte daar Tabita (Dorkas) ten
leven op (9,36-42) en had er het visioen van de reine
en onreine dieren (10,9-16). Over de sinds 1955
door J. Kaplan ondernomen opgravingen vgl. RB
64, 1957, 242v; 67, 1960, 376v; 70, 1963, 577v; 72,
1965, 553v. Op de Peutinger kaart (foto rechts: rechts van het midden onderaan) wordt J. Ioppe genoemd.
Lit. Abel 2, 355v. Simons blz. 562. S. Tolkowsky, The Gateway
of Palestine. A History of Jaffa (London 1924). A. Alt
(ZDPV 68, 1950, 97-133 = KS 2, 1959, 107-140). J. Kaplan,
Jaffa's History Revealed by the Spade (Archaeology 17, 1964,
270-276). [v.d.Born]