
Oeniadae
(Οἰνιάδαι), Acarnanische stad bij de monding
van de Achelous. De oude stad lag op een hoogte van 3 km lang en 2 km breed
bij het huidige Katochi. O. beschikte over een haven aan de Achelous. In de
oudheid was wsl. een baai die in zee uitliep. In het noorden grensde O.
aan het gebied van Metropolis. Er moet een oudere nederzetting (Erysiche)
stroomopwaarts geweest zijn (Strab. 10.2.2). O. was geen kolonie van
Corinthe zoals de Ambracia en Corcyra. In het midden van de 5e eeuw vC
stond O. buiten de Acarnanische Bond, toen Messeniërs uit Naupactus
de stad innamen. De bewoners slaagden met steun van de andere
Acarnaniërs er erin de Messeniërs uit de stad te verdrijven
(Paus.4,25). In 454 vC belegerde Pericles O. vergeefs (Thuc. 1,111,2ev;
Plut.Pericles 19.4). In de Peloponnesische Oorlog bleef O. aan de
Spartaanse kant in tegenstelling tot de rest van Acarnania (Thuc. 2,82),
totdat O. in 424 vC werd ingenomen en gedwongen lid te worden van de
Acarnanische Bond (Thuc. 4,77,1ev).In 389 was een Atheense vloot in O.
gestationeerd. Ca. 330 veroverden de Aetoliërs O. (Diod. 18,8,6).
Wanneer de bewoners weer naar hun stad terugkeerden, is onzeker. In
314 vC verhuisden zij naar Sauria (Diod. 19,67,4), maar spoedig keerden
zij terug. Na 260 lukte het de Aetoliërs weer O. onder hun bewind
te krijgen. In 219 verdreef Philippus V van Macedonië de Aetolische
bezettingsmacht en maakte O. weer lid van Acarnanische Bond
(Pol. 4,65,5-11). In 212 werd O. door de Romeinen veroverd en aan de
Aetoliërs overgegeven (Pol.9,39,2;Liv 26,24,15), maar in 189 werd O.
weer Acarnanisch (Pol. 21,32,14).
Behouden zijn de resten van de 6 km lange stadsmuur met torens, een
havenfort, theater, fundamenten van tempels en huizen.
Lit. NP 8, 1142-3. W.M. Murray, The Coastal Sites of Western Akarnania, Diss. Pennsylvania 1982, 21-27.