Poros (πῶρος) of poros-steen (πώρινος λίθος), in de griekse archeologie verzamelnaam voor alle steensoorten die minder hard zijn dan marmer en arduin. De vaagheid van de moderne term was al eigen aan het oudgriekse woord, dat zowel tufsteen als diverse typen zand- en kalksteen kon aanduiden. P. was sinds de 7e eeuw vC in Griekenland en Zuid-Italië, op Sicilië en op de kust van Klein-Azië het algemeen gebruikte materiaal voor openbare gebouwen en voor sculpturen, totdat het in de loop van de 5e eeuw vC op ruime schaal door marmer vervangen werd. Voor fundamenten, vloeren en muren bleef het ook daarna in gebruik; op plaatsen waarheen het transport van marmer te duur was, bleef men het gehele gebouw uit p. optrekken.
1. geelachtige zachte kalkzandsteen van de noordkust van Aegina (λίθος αἰγιναῖος), gebruikt o.m. voor de tempel van Athena Aphaea op Aegina en de zuilen van het telesterion in Eleusis;
2. geelachtige wat hardere kalkzandsteen, gevonden o.a. bij Megara, in Elis en op Sicilië ('lithos kogchitees'), waaruit onder meer het grootste deel van de Hera- en de Zeus-tempel in Olympia zijn opgetrokken;
3. lichtgrijze kalksteen van het schiereiland (Ἀκτή)
van de Piraeus ('lithos aktitees'), waarvan veel gebruik
is gemaakt voor de archaïsche gebouwen op
de atheense acropolis.
Lit. R. Martin, Manuel d'architecture grecque 1. Matériaux
et techniques (Paris 1965) 117-135. A. K. Orlandos, Les matériaux
et construction et la technique architecturale des anciens
grecs 2 (Park 1968) 2-7.
[Nuchelmans]