Soter
Soter (Σωτήρ, Redder, Heiland), epitheton dat
aan verscheidene griekse godheden - bv.
Aesculapius,
Zeus,
Apollo en de
Dioscuren - gegeven
werd om hun vermogen uit te drukken de mensen
te redden uit nood, alsmede vrede en welvaart in
stand te houden;
bij godinnen luidde het Σώτειρα.
Vanaf de 5e eeuw vC, maar vooral in de hellenistische
tijd, werd de titel ook toegekend aan
stervelingen,
met name aan vorsten die bv. een stad of
een land gered hadden, en impliceerde dan een
zekere mate van vergoddelijking.
Zo werd
Antigonus
Doson tijdens zijn leven Euergetes genoemd,
na zijn dood S. Bekend zijn ook
Antiochus I
S. en
Ptolemaeus I S.
In latere tijd had enerzijds
een devaluatie van de titel plaats en werd hij zelfs
aan beruchte personen als
Verres toegekend,
anderzijds onderging hij in de verlossingstheologie
van het christendom - mede onder oosterse invloed
- een
wezenlijke revaluatie (latijn Salvator).
Lit. F. Dornseiff (PRE 3A, 1211-1221). O. Höfer (Roscher
4, 1236-1272). - H. Linssen,
THEOS SOTER. Entwicklung
und Verbreitung einer liturgischen Formelgruppe (Jahrbuch
für Liturgiewissenschaft 8, 1928, 1-75).
F. Dölger, Der
Heiland (in Antike und Christentum. Kultur- und religionsgeschichtliche
Studien, Münster 1950, 241-272). H.
Kasper,
Griechische S. vorstellungen und ihre Übernahme in das
politische Leben Roms (Diss. Mainz 1959). [Nuchelmans]