Apollo


apollo
Apollo van Belvedere (200-150 v.C.)
Apollo (Ἀπόλλων), een van de voornaamste griekse goden.

(I) Apollo is zeker voor-grieks, maar over zijn herkomst en zijn eigenlijke wezen bestaat geen communis opinio. Af te wijzen is de opvatting dat A. uit Noord-Griekenland zou stammen (men wijst op de vele zich daar bevindende cultusplaatsen en de verhalen rond de legendarische Hyperboraeërs, vgl. Herodotus 4,33). Bethe en Kern hebben de mening verdedigd dat A. oorspronkelijk een dorische god was, wiens cultus zich tot in Klein-Azië zou hebben verbreid. Kern verdedigde daarbij de afleiding van de naam A. van ἀπέλλα (omheining voor het vee; vergadering; Apella), een afleiding die vooral door hen aanvaard werd die A. oorspronkelijk als wolfsgod opvatten. Von Wilamowitz bepleitte lycische origine, waarop de bijnaam Lyceüs en de naam van Leto, moeder van A. (vgl. carisch lada = heerseres) zouden wijzen. Door Sittig werd echter overtuigend bewezen dat de naam in het lycisch ontleend is. Nilsson laat A. afkomstig zijn uit het binnenland van Klein-Azië (het Hethietenrijk), waarbij hij zelfs babylonische invloed niet uitsluit. Hij accentueert dat A. oorspronkelijk voor de Grieken een vreemde god was, de godheid die met zijn boog ziekten en dood zendt, maar die ook de ziekten geneest. Ongetwijfeld is het apotropaeïsche karakter van A. een van zijn meest oorspronkelijke trekken, hoewel de etymologisering van Usener (apo-pellos = kwaadafweerder) moeilijk te aanvaarden is.

Veel minder waarschijnlijk is dat A. oorspronkelijk een herdersgod was (men beroept zich hiervoor ook wel op de mythe van de dienst van A. als herder bij Admetus, Eumelus en Laomedon en van de roof van de runderen van A. door Hermes). Ook is A. niet in oorsprong een god van de vegetatie (aldus F. König e.a.). Men heeft de moeder van A. wel beschouwd als een grote natuurgodin uit de myceense periode en men wees op het atheense ειρεσιώνη-feest en enkele oogstgebruiken waarmee A. enigszins verbonden was. Maar dit blijkt slechts secundair te zijn. Eigenlijk is A. de kwaadafwerende god, die de veldvruchten tegen aantasting beschermt. De Hyacinthia en de Carnea te Sparta, feesten die aan A. gewijd waren, vormen evenmin een bewijs dat A. oorspronkelijk een vegetatiegod was. Wat het epitheton Lyceüs (Λύκειος) betreft heeft men, behalve aan herkomst uit Lycië, gedacht aan A. als wolfsgod; maar de talrijke sagen over verandering in een wolf in verband met A. zijn laat en literair. Waarschijnlijk vinden wij echter A. hier weer in zijn oorspronkelijke functie als kwaadafweerder: hij zal van oudsher door de griekse herders aangeroepen zijn als afweerder van wolven (Lyceüs houdt geen verband met de wortel 'leuk-', stralen; de functie van A. als lichtgod is secundair).

(II) Met recht wordt tegenwoordig vooral het apotropaeïsch karakter van A. geaccentueerd (ἀλεξίκακος, ἀλεξίμορος, ἀποτρόπαιος). Bij Homerus komt A. naast Paieon als genezende god voor, ook latere epitheta wijzen op zijn helende functie. Maar zoals hij de ziekten kon afweren, zo kon hij ze ook tot de mensen zenden. Met zijn onzichtbare pijlen zond hij onverhoeds de dood (ἑκάεργος, ἑκατηβόλος). In het eerste boek van de Ilias lezen wij van de wraak van A. op de Achaeërs, elders van die op Tityus en Niobe. De plotselinge dood van mannen werd aan A. toegeschreven.

Zijn functie als helende god bracht A. op het gebied van de mantiek, die met de geneeskunde aanvankelijk in nauwe relatie stond. A. werd tot een orakelgod. Deze orakels (bv. Patara, Clarus, Delphi, Didyma), waarvan de grote bloeitijd nog vóór de perzische oorlogen viel, hebben veel tot de verbreiding van de A.-cultus bijgedragen. In de loop van de tijd trad er een verschuiving op, waardoor A., in de archaïsche tijd vooral orakelgod, in de klassieke tijd geworden is tot de god van het licht, gelijkgesteld met de zonnegod, en tot de god van de muzische kunsten.

In de klassieke tijd kwam het kwaadafwerend karakter van A. vooral bij het gewone volk naar voren. A. hielp tegen vele plagen en onheilen, als Smintheus tegen de muizen, als Parnopius tegen de sprinkhanen, als Erithybius tegen ziekte in het koren, als Thargelius beschermde hij de veldvruchten. A., op Kreta in de gedaante van een dolfijn vereerd, gold ook als beschermer van de zeevaart en waarschijnlijk dientengevolge ook als beschermgod van de kolonisatie (ἀγήτωρ, κτίστης). Men heeft wel aangenomen dat A. als god van de voorgebergten die de zeelieden bedreigen tot berggod en als zodanig tot lichtgod geworden is.

Als helende god geneest A. ook het innerlijk van de mens door hem te reinigen van de schuld van de misdaad. Op grond van de helende kracht van de muziek, zang en poëzie breidde A. zijn invloed ook tot die gebieden uit (zo vinden wij hem als Μουσαγέτης, leider van de Muzen). Sedert de 5e eeuw (Euripides, fr. 781,11-13 Nauck) werd A. met de zon gelijkgesteld. Zo komt hij voor in de hellenistische (Stoa) en romeinse tijd. Deze identificatie is secundair (noch het epitheton Lycius, noch Phoebus, dikwijls door 'glanzend' vertaaid, maar onzeker van betekenis, geven hiertoe aanleiding). Waarschijnlijk zijn de pijlen van A. gezien als de zonnestralen.

(III) In de mythologie vinden we A. als zoon van Zeus en Leto, en als tweelingbroer van Artemis. Hij werd geboren op Delus, dat tot een centrum van de A.-cultus geworden is. De 7e dag van de maand, de dag waarop hij zou zijn geboren, werd aan hem gewijd. Te Delphi versloeg hij de Python-draak, op grond waarvan de pythische spelen werden ingesteld. In het delphische orakel was een priesteres, de Pythia, het medium van A. Verder wordt verhaald dat A. bij Coronis Asclepius verwekte, en over zijn vergeefse liefde voor Cassandra en Marpessa. Samen met Poseidon bouwde A. de muren van de stad Troje, waarvoor Laomedon echter het bedongen loon niet wilde betalen. In de trojaanse oorlog vinden wij A. echter toch aan trojaanse zijde. Aan A. gewijd zijn laurier, hinde, ree en wolf en zijn symbolen zijn pijl en boog, lier en drievoet.

(IV) In de kunst wordt A. veelal voorgesteld als een baardeloze jongeman, met krullend haar. Bekend zijn de A. Sauroctonus (de hagedisdoder) van Praxiteles (in het Vaticaan), de A. van Belvedère (vermoedelijk naar Leochares; eveneens in het Vaticaan; zie boven), A. als Musagetes in golvend ionisch gewaad (naar Scopas of Praxiteles), de archaïsche A. van Veii (terracottabeeld uit ca. 475 vC), de A. in het gevelveld van de Zeus-tempel te Olympia temidden van de strijdende Centauren en Lapithen, en als overwinnaar temidden van de Gigantenstrijd op het Zeusaltaar van Pergamum. De naakte z.g. A.'s uit de 6e eeuw vC (bv. de A. van Tenea, tegenwoordig te München) zijn eigenlijk beelden van jongemannen.

(V) Reeds vroeg kwam de cultus van A. in Rome, nl. op het einde van de koningstijd, in ieder geval vóór 496 vC toen sibyllijnse boeken geraadpleegd werden (A. en de sibyllijnse boeken zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden; de A.-cultus moet van Cumae uitgegaan zijn). Vooral de genezende werking van A. trad naar voren, daarnaast zijn voorspeliingskunst. Als genezende god is A. naderhand door Aesculapius overvleugeld. Oorspronkelijk was de cultusplaats van A. te Rome het Apollinar bij de Porta Carmentalis, in 431 werd bij de Circus Flaminius een nieuwe tempel gewijd, die de enige bleef tot de tijd van Augustus. In 212 werden de ludi Apollinares ingesteld, waarbij in tegenstelling tot de oudromeinse spelen de toneelvoorstellingen sterk op de voorgrond traden. In de oudere romeinse cultus werd de griekse A. niet met een inheemse god geïdentificeerd.

Dat men later de onderwereldgod Veiovis wel als A. afbeeldde heeft op de opvatting van A. geen invloed gehad. Augustus stelde A., aan wie hij zijn overwinning bij Actium toeschreef, centraal bij zijn godsdiensthervorming en bouwde voor hem een luisterrijke tempel op de Palatinus. A. en Diana domineerden ook bij de ludi saeculares van 17 vC. Gedurende de keizertijd is A. een van de voornaamste romeinse goden gebleven, in de praktijk voornamelijk als genezende god, in de literatuur dikwijls met de zonnegod gelijkgesteld.

Lit. W. H. Roscher/A. Furtwängler (Roscher 1, 422vv). K. Wernicke (PRE 2, 1-111). A. de Franciscis (EAA 1, 463-474). - U. v. Wilamowitz, Apollon (Hermes 38, 1903, 575vv). R. Delbrück, Der Apollotempel auf dem Marsfeld (Rome 1903). L. R. Farnell, Cults of the Greek States 4 (Oxford 1907) 98vv. G. Wissowa, Religion und Kultus der Römer² (München 1912) 293-297. A. Solders, Der ursprüngliche Apollon (ARW 32, 1935, 142vv). K. Kerényi, Apollon, Studien über antike Religion und Humanität² (1953). R. D. Miller, The Origin and the Original Nature of Apollo (Philadelphia 1939). K. A. Pfeiff, Apollon, die Wandlung seines Bildes in der griechischen Kunst (Frankfurt 1943). M. P. Nilsson, Geschichte der griechischen Religion 1² (München 1955) 529-564. J. Gagé, Apollon romain (Paris 1955). [Bartelink]



mythen