Aesculapius, romeinse naam voor de griekse god
Asclepius.
Vanuit de tempel te Epidaurus werd
in 293 de cultus van A. naar Rome overgebracht,
toen naar aanleiding van een pest de heilige slang
(personificatie van de godheid) door een gezantschap
uit Epidaurus werd gehaald. Het is het eerste voorbeeld
van onmiddellijke ontlening uit Griekenland
zelf (vgl. Livius 10, 47, 7; Ovidius, Metamorfosen
15, 622-745; Valerius Maximus 1, 8, 2). Livius vermeldt
dat de overbrenging op grond van de Sibyllijnse boeken
plaats vond. De tempel van A. op het
Tiber-eiland werd in 291 ingewijd. Waarschijnlijk
waren hier griekse priesters. Het hele tempelbedrijf
was georganiseerd als te Epidaurus. Ook in Rome
hield men slangen en honden, ook in Rome werd de
incubatie toegepast. Naast A. vinden wij in de votiefinscripties
de godin Hygia, daarnaast vooral sedert
180 vC ook Salus. Ook in de keizertijd werd A.
vereerd, o.a. als A. castrorum bij het leger. Cultusplaatsen
van A. treft men ook bij geneeskrachtige
bronnen aan.
Lit. G. Wissowa (Roscher 4, 295). Id., Religion und Kultus
der Römer² (München 1912) 306-309. E. J. en L. Edelstein,
Asclepius (Baltimore 1945). [Bartelink]