Strateeg (στρατηγός), in het oude Griekenland de algemene benaming voor de commandant van een leger of legeronderdeel, vloot of vlooteenheid. Daarnaast werd er in vele grielse en hellenistische staten of bonden een magistraat mee aangeduid die hetzij hoofdzakelijk militaire hetzij zowel militaire als belangrijke burgerlijke bevoegdheden bevat, soms zelfs uitsluitend burgerlijke.
(1) In Athene vormden de strategen (στρτηγοί) sinds ca. 500 vC een college van tien, één uit elke phyle, waarvan hij de hoplieten aanvoerde. Aanvankelijk voerde de ἄρχων πολέμαρχος (archont) het opperbevel, sinds ca. 480 vC, toen de voortaan door het lot aangewezen polemarch andere functies toebedeeld kreeg, werd het bij toerbeurt door een van de tien strategen vervuld. De strategen werden gekozen voor één jaar, waren herkiesbaar en, evenals de andere magistraten, onderworpen aan de plicht periodiek rekenschap af te leggen van hun beleid (εὔθυνα). In de loop van de 5e eeuw namen met de uitbreiding van het atheense imperium - hun bevoegdheden en daarmee hun invloed voortdurend toe; ze werden belast met de recrutering van leger en vloot, met de bescherming van de handel tegen zeeroverij, met de militaire rechtspraak en met de inning van de door de leden van de attische zeebond verschuldigde tributen; ze kregen ook het recht de zittingen van de Raad bij te wonen en daar voorstellen te doen. Tengevolge van hun deskundigheid, hun onbeperkte herkiesbaarheid en hun sociale positie verkregen vele strategen een beslissende invloed op de atheense politiek. Zo was Pericles tussen 460 en 445 herhaaldelijk en van 443 tot 429 vijftien jaar lang ononderbroken s.; Phocion bekleedde het ambt niet minder dan 40 maal.
In speciale gevallen kozen de Attheners z.g. στρατηγοὶ αὐτοκράτορες met bijzondere volmachten, zo bv. Alcibiades en Nicias voor de expeditie naar Sicilië in 415 vC. In de 4e eeuw vC vond in Athene het gebruik ingang om aan elk van de strategen een gespecialiseerde taak toe te vertrouwen, zoals de oorlogvoering, het garnizoenscommando, de uitrusting van de troepen, de zorg voor de vloot enz. Over het ambt van s. in andere griekse steden is weinig bekend, maar het vertoonde grote overeenkomsten met het atheense ambt.
(2) Ln de aetolische en de achaeïsche bond van de 4e, 3e en 2e eeuw vC, wier inrichting een mengsel van democratische en oligarchische elementen vertoont, berustte het hoogste uitvoerend gezag, zowel politiek als militair, bij één (in de achaeïsche bond tot 255 vC twee) telkens voor één jaar door de bondsraad gekozen s.
(3) In de hellenistische monarchieën werden, mede tengevolge van de noodzaak om uitgestrekte, soms pas onderworpen gebieden te beheersen en te besturen, aan de militaire bevelhebbers dikwijls ook uitgebreide bestuurstaken toevertrouwd; naast de strikt militaire strategen verschijnen strategen die ket militaire commando met de functie van stadhouder combineren. De ontwikkeling, die uiteraard op uiteenlopende wijzen verliep, is goed te voigen in het Seleucidenrijk en in Egypte. In het eerste werden geleidelijk de meeste satrapen door strategen vervangen. In Egypte, waar het bestuur veel sterker gecentraliseerd was dan in het Seleucidenrijk, waren de strategen, afgezien van enkele buitengewesten, aanvankelijk slechts militair commandant van een gouw (νομός); onder Ptolemaeus III (246-222) kregen ze bovendien de leiding van het gehele gouwbestuur, en tenslotte werden ze in de 2e eeuw vC, nadat het militaire bevel over geheel Egypte aan een epistrateeg was opgedragen, tot zuiver burgerlijke gouverneurs des konings.
(4) Στρατηγός is ook de griekse vertaling van de latijnse
ambtsbenaming consul; deze werd meestal
στρατηγὸς ὕπατος genoemd ter onderscheiding van
de proconsul, die στρατηγὸς ἀνθύπατος heette.
Lit. F. Bilabel (PRE 4A, 184-252). W. Schwahn (PRE Suppl.
6, 1935, 1071-1158). - M. Holleaux, Strategos hypatos (Paris
1918). M. Schede, Strategos autokrator (Diss. Leipzig 1932).
H. Bengtson, Die Strategie in der hellenistischen Zeit 1-3
(München 1937-1952, ²1964-1967). C. W. Fornara, The Athenian
Board of Generals from 501 to 404 (Historia, Einzelschriften,
Heft 16, Wiesbaden 1971). [Nuchelmans]