Sar(ru)mas, jeugdige mannelijke (anatolisch-)hurritische god; oorspronkelijk de genius van een locale berg in de nabijheid van Kummanni (= Comana) in het noordoosten van de landstreek Kizzuwatna. In het pantheon van Kummanni was S. de zoon van de stormgod Tesub, de belangrjjkste mannelijke god, en van Hebat, de belangrijkste godin; hij was een broer van Allanzu.
De iconographie van S. is bekend van Yazilikaya nrs. 44 en 81, respectievelijk in de reeks van vroui welijke figuren achter zijn moeder Hebat en voor zijn zuster Allanzu en in kamer B als de godheid die Tudhaliyas IV omarmt. Mogelijkerwijs wordt in de aanvang van de mannelijke reeks in Yamhkaya nr. 42a als 'stierkalf van Tesub' nog aan Sar(ru)mas gerefereerd. In dat geval zou S. evenals Sauska zowel in de mannelijke als in de vrouwelijke serie van godheden vertegenwoordigd geweest zijn. Verder is S. nog bekend van een tweetal neo-hethitische reliëfs. Hij wordt steeds als een jonge, mannelijke figuur afgebeeld en staat dikwijls op een leeuwachtig dier als basis. In de 13e eeuw vC werd S. in de nabijheid van de stormgod van Nerik gebracht, daar deze in de (anatolisch-)hethitische triade de zoon van de stormgod van Hattusas en de zonnegodin van Arinna was en deze twee in het syncretisme van dat tijdvak met respectievelijk Tesub en Hebat geïdentificeerd werden.
In de onomastiek van de periode van het Nieuwe
Rijk is de naam S. aan hurritische persoopsnamen
van de hethitische invloedssfeer gebonden, terwijl
zijn naam in meer oostelijke hurritische centra geheel
ontbreekt. In de naamgeving van het eerste millennium
treedt de godennaam S. uitsluitend tezamen
met luwische elementen op.
Lit. E. von Schuler in: Haussig, Wörterbuch der Mythologie
1 (Stuttgart 1965) 179v. O. R. Gurney, Some Aspects of Hittite
Religion (Oxford 1977) passim. E. Laroche, Le dieu anatolien
Sarruma (Syria 40, 1963, 277-302). W. Orthmann, Untersuchungen
zur späthethitischen Kunst (Saarbrücker Beiträge
zur Altertuntskunde 8, Bom 1971) 243 (groep E), 245 (groep
D). E. Laroche, Les noms des Hittites Paris 1966) 293-294,
348.
[Houwink ten Cate]