Simon (Σίμων, letterlijk 'Stompneus'), griekse mannennaam, in de hellenistische tijd geïdentificeerd met de hebreeuwse naam sim'oon.
(1) Simon de Makkabeeër, van 142 tot 135 leider van de
opstand der Makkabeeën.
(2) Simon de Farizeeër, man in Galilea in wiens huis
Jezus te gast was en zich de voeten liet zalven door
een vrouw 'die in de stad als zondares bekend
stond'. Hierover had Jezus vervolgens met S. een
discussie (Lc 7,36-50; vgl. Mt 26,6-14 enMc 14,3-9).
(3) Simon, zoon van Jona; zie
Petrus.
[Nuchelmans]
(4) Simon, een van de apostelen, in Lc 6,15 en Hand
1,13 bijgenaamd ὁ ζηλωτής, 'de ijveraar'. In Me
3,18 en Mt 10,4 wijst zijn bijnaam ὁ Καναναῖος
dus niet op zijn herkomst uit Kana, maar is deze
een vergrieksing van het arameese qan'an'a, het
equivalent van 'ijveraar'. Deze dubbele traditie
pleit voor de oorspronkelijkheid van het bericht.
De apologetische tendens van Lc en Hand maakt
het bovendien onwaarschijnlijk dat de bijnaam ὁ ζηλωτής van Lucas stamt.
Lit. J. A. Fitzmyer, The Name S. (in Essays on the Semitic
Background of the NT, London 1971, 105-112). J.-A. Morin,
Les deux derniers des Douze: S. le Zélote et Judas Ishkariöth
(RB 80, 1973, 332-358).
(5) Simon van Cyrene, vader van Alexander en Rufus.
Hij werd als voorbijganger door een romeins soldaat
gedwongen het kruis van Jezus te dragen (Me
15,21). De uitdrukking αἴρειν τὸν σταυρόν ('het
kruis opnemen') is ongetwijfeld als christianisme
te beschouwen; dit doet evenwel niets af aan de
historische teneur van het bericht. Latere gnostische
speculatie interpreteerde Mc 15,21 in die zin dat
S. in de plaats van Jezus gekruisigd werd.
Lit. Commentaren bij Mc 15, 21 (Marcus).
(6) Simon de Magiër of de Tovenaar (latijn S. Magus),
afkomstig uit het samaritaanse dorp Gittai (Iustinus,
Apologie 1,26). Hij werkte als
magiër in
Samaria en misschien later ten tijde van keizer
Claudius in Rome. Men noemde hem volgens Hand
8,10 ἡ δύναμις μεγάλη ('de grote kracht';
τοῦ θεου
'van god' schijnt een toevoeging van Lucas te
zijn), d.w.z. de belichaming van de Allerhoogste
(Iustinus, Dialoog 120,6). Hij liet zich door de diaken
Philippus dopen en trachtte vervolgens
voor geld van de apostelen de macht te kopen om
door handoplegging de heilige geest mede te delen;
hij werd door Petrus scherp terechtgewezen. Bij de
latere vaders, vanaf Irenaeus, geldt S. als aartsketter
en gnosticus. In Hand 8,9-13 blijkt evenwel niets
van gnosticisme; hij werd berispt omdat hij het
charisma wilde kopen (simonie!). Iustinus beschouwt
hem als een tovenaar die goddelijke eer
voor zich opeiste.
Lit. Commentaren op Hand 8. - H. Leitzmann (PRE 3A, 180-184).
- L. Cerfaux, La Gnuse simonienne (in Recueil L. Cerfaux
1, Gembloux 1954, 191-258). J. Salles-Dabadie, Recherches
sur S. le Mage (Paris 1969). K. Beyschlag, Zur S.-Magus-Frage
(ZThK 78, 1971, 395-426). W. van Unnik, Die
Apostelgeschichte und die Häresien (in Sparsa collecta 1,
Leiden 1973. 402-409).
[Bouwman]