(I) In het NT. Johannes de Doper, die waarschijnlijk
in verbinding stond met de gemeenschap
van Qumran, beoefende evenals deze groepering
een strenge a. in voedsel en kleding (Mt 3,4 e.p.; 11,
18 = Lc 7,33; Lc 1,15) en leefde ongehuwd. Van
zijn leerlingen schijnt hij dit evenwel niet geëist te
hebben (Lc 3,10vv; Mt 9,14 e.p. handelt over het
onderhouden van de joodse vastenwet). Jezus verkondigde
de blijde boodschap van het Koninkrijk
Gods, daarom vastten zijn leerlingen niet (Mt 9,15
e.p.; vgl. Mt 11,19 = Lc 7,33). Wel eiste hij absolute
onthechting aan bezit en menselijke banden
(Mt 10,37; 19,12.21; Mc 10,29v; Lc 14,26). Deze
onthechting was echter geen heiligheidsascese zoals
bij de essenen, maar diende om de mens vrij te
maken voor het Koninkrijk Gods en was een anticipatie
van de eschatologische bezitloosheid. Na de
verrijzenis namen de leerlingen de joodse praktijk
van het vasten weer aan (Hand 13,2v; 14,23; 18,18;
21,24; 27,9; 1Cor 7,5; 2Cor 11,27; vgl. Mt 9,15 par).
De vasten werd echter verlegd naar woensdag en
vrijdag (Didache 8,1). In de hellenistische gemeenten
kreeg de a. spoedig een gnostisch-dualistische
tendens (1Cor 7; Col 2,21vv; 1Tim 4,3), die door
Paulus verworpen werd met een verwijzing naar
God als Schepper van het lichamelijke. De echtelijke
onthouding en de maagdelijkheid beveelt hij
aan uit eschatologische motieven (1Cor 7,28v) en
om de vrijheid voor de Heer (7 ,32vv). In de Openb.
heeft dit maagdelijkheidsideaal reeds sterk aan
kracht gewonnen (3,4; 14,1-5).
Lit. M. Viller/M. Olpe Galliard (Dict. Spiritualité 1, 962-964).
H. Strathmann (RAC 1, 758-761). K. G. Kuhn (RGG³
1, 642-644). - H. Wennink, De Bijbel over Ascese (Roermond
[Bouwman]
1964).
(II) In de 2e eeuw zijn marcionitisme en montanisme, gedeeltelijk ook het gnosticisme, streng ascetisch. Ook binnenkerkelijk zijn er meermalen tendenties in ascetische richting. In de apocriefe apostelakten wordt de seksuele onthouding hoog verheerlijkt. Bezit de door Clemens van Alexandrië geschilderde christelijke gnosticus sterke ascetische trekken, hij is ook de eerste christen die de term ἀσκητής bezigt (Paedagogus 1,7). Voor Origenes, reeds een voorloper van het monachisme, betekende de a. navolging van Christus. Reeds vrij vroeg vinden wij asceten en maagden (continentes) als aparte groeperingen tussen geestelijkheid en de verdere gelovigen.
De richting van Clemens en Origenes vindt voortzetting bij Gregorius Thaumaturgus, Methodius van Olympus, Afrahat, Ephrem en de grote Cappadociërs. Ze erkennen het huwelijk principieel, maar het ideaal van het christelijk leven wordt voor hen gevormd door de monnikenstand. Verschillende geschriften over de maagdelijkheid stammen uit deze tijd. Onder de sekten van de 3e en 4e eeuw domineert een ascetische tendentie bij de manichaeën, apotactiten en hieraciten.
Enige invloed van ascetische richtingen buiten het
christendom (bv. essenen, stoïcijnen, neoplatonici)
op de christelijke a. zijn niet a priori uit te sluiten,
al is de principiële fundering vanzelfsprekend geheel
verschillend.
Lit. H. Strathmann (RAC 1, 749-763). F. Martinez, L'ascétisme
chrétien pendant les trois premiers siècles de l'église
(Paris 1913). H. Strathmann, Geschichte der frühchristlichen
Askese bis zur Entstehung des Mönchtums 1 (Leipzig 1914).
K. Heussi, Der Ursprung des Mönchtums (Tübingen 1936).
H. von Campenhausen, Die Askese im Urchristentum (Tübingen
1949).
[Bartelink]