Psalterium noemden de oude christenen het geheel van de 150 psalmen, die evenals dit bij de joden het geval was bij hen een van de meest gebruikte gebedsbronnen zijn geworden. In later tijd werd ook het psalmboek met p. aangeduid. In het NT wordt het p. naast Is het meest geciteerd. Zowel Jezus als de apostelen beroepen zich herhaaldelijk op psalmteksten.
Naar men algemeen aanneemt is zowel het
gebruik van psalmteksten in de gebeden van de uren
van de dag (getijden) als in de antwoordzangen
tussen de lezingen een erfenis van de synagoge.
De LXX-tekst van het p. bevat tal van hebreïsmen,
waarvan er vele in de latijnse vertalingen zijn overgegaan.
De oudste latijnse vertalingen bevatten een
Vetus Latina-tekst. Hiertoe mag men ook rekenen
het P. Romanum - niet Hieronymus' vertaling naar
de LXX uit ca. 384, maar reeds vóór hem gangbaar
- dat in Rome tot in de 16e eeuw in gebruik
bleef. Het P. Gallicanum is de vertaling die Hieronymus
ca. 397 vervaardigde naar de LXX-tekst van
Origenes' Hexapla (Hieronymus), terwijl het
P. iuxta Hebraeos diens vertaling naar de hebreeuwse
grondtekst vormt, ca. 400.
Het p. is een veelbecommentarieerde tekst:
Origenes,
Eusebius van Caesarea,
Hilarius van
Poitiers, Ambrosius,
Hieronymus,
Augustinus. Restanten
van verloren psalmcommentaren zijn bewaard
in katenen (catena).
Lit. P. Capelle, Le texte du psautier latin en Afrique (Collectanea
Biblica latina 4, Rome 1913). C. Westermann, Das
Loben Gottes in den Psalmen² (Göttingen 1961). A. Gelin, La
prière des psaumes (Paris 1961). Chr. Mohrmann, Quelques
observations linguistiques à propos de la nouvelle version
latine du psautier (Études sur le Latin des Chrétiens 3, Rome
1965,197-225). [Bartelink]