
![]()
Cyllene (Κυλλήνη), naam van een gebergte en een
stad in Griekenland:
(1) Cyllene, hoefijzervormig kalksteengebergte in het
noordoosten van Arcadië,
waarvan de opening
naar Achaia uitloopt (richting Pellene); de hoogste
top (2376 m) ligt in het westelijk been en biedt een
riant uitzicht. Het gebergte tekent zich duidefijk
af van de omgeving, want eromheen ligt in het
westen het zacht glooiende bekken van Pheneüs,
in het zuiden dat van Stymphalus. De C. ligt thans
in het district Corinthe en draagt de naam Ziria
(Ζήρια).
Een van de versies van de Hermes-mythen plaatst
de cyclus waarin wordt verhaald dat de god zou
zijn geboren uit een ontmoeting van Zeus en Maia,
op de C. en situeert ook zijn eerste daden in deze
omgeving; er was een heiligdom op de top.
Lit. Pieske (PRE 11, 2454-2457). - Philippson/Kirsten, Die
griechischen Landschaften 3, 1959, 228-232.
(2) Cyllene, havenstad ten oosten van kaap Chelonatas
aan de noordwestkust van de Peloponnesus,
gelegen aan de voet van de berg Chicmoutsi,
even ten noordwesten van het huidige dorp,
dat weer Killini is genoemd. Waarschijnlijk reeds in
mythologische tijden in gebruik, werd C. belangrijk
als haven van Elis (gesticht 472/ 1) en is toen ook
ommuurd: de ligging was gunstig voor de vaart op
Magna Graecia (Zuid-ltalië) en de Ionische eilanden
(ook nu nog, met name veerdienst naar Zante =
Zacynthus).C. heeft een rol gespeeld voor en tijdens de peloponnesische oorlog. Ofschoon Elis het op eis van Sparta in 398 ontmantelde, werd het in 314 opnieuw versterkt en diende eind 3e eeuw als basis van de Aetoliërs. In 208 werd het ingenomen door de romein Sulpicius. Nog in de frankische en venetiaanse tijd was het stadje, toen Glarentsa geheten, de belangrijkste haven van de Peloponnesus, totdat het door Patras werd verdrongen.
In de oudheid was C. een bekende cultusplaats van
Aesculapius. Op de Peutinger kaart (foto rechts: midden links) wordt C. ook vermeld.
Lit. Pieske (PRE 11, 2457v). - J. Servais, Recherches sur le
port de Cyllène (Bulletin de Correspondance Hellénique 85,
1961, 123-161). [te Riele]