Pelasgen (Πελασγοί), in de Ilias naam van trojaanse bondgenoten, die moeilijk te localiseren zijn (Troas? Aeolis? Thessalië?), in de Odyssee naam van een (niet-griekse?) stam op Kreta; het adiectivum Πελασγικός gebruikt de Ilias voor het thessalische Argos en als epitheton bij Zeus van Dodona. Latere griekse auteurs - o.a. Hellanicus, Herodotus, Thucydides, Dionysius van Halicarnassus en Strabo geven de naam P. aan bepaalde of alle vertegenwoordigers van de voorgriekse bevolking van Griekenland en de eilanden en kusten van de Aegeïsche Zee.
Als vaststaand mag worden aangenomen dat P. in een ver verleden bewoners van de thessalische landstreek Pelasgiotis zijn geweest; over de identiteit van deze P. en over de vraag of zij Grieken waren of niet, valt echter met zekerheid niets te zeggen. Anderzijds staat vast dat in de historische tijd op enkele plaatsen in Griekenland, op de eilanden en de kusten van de Aegeïsche Zee nog resten van een voorgriekse bevolking woonden, die ook een nietgriekse taal spraken. Over de historische relaties tussen deze groepen en de eigenlijke Grieken bestonden reeds in de oudheid velerlei en moeilijk met elkaar te rijmen speculaties. Het lag voor de hand dat men de diverse voorgriekse bevolkingsresten, waarvan men slechts vage voorstellingen had, graag onder één noemer en één naam bracht; daarvoor maakte men dan bij voorkeur een generaliserend gebruik van min of meer exotisch aandoende benamingen als Cariërs, Lelegers en P., die anderzijds niet geheel ongemotiveerd waren.
Een bijzonder moeilijk probleem is dat van de relaties
die gelegd zouden kunnen worden tussen de
schaarse resten die we van de voorgriekse taal (of
talen) van Griekenland bezitten - hoofdzakelijk
eigennamen, plaatsnamen en enkele tientallen namen
van gebruiksvoorwerpen die als leenwoorden
in het Grieks voortbestaan - en wat we uit andere
bronnen (bv. archeologisch onderzoek) over de
voorgriekse bevolking te weten kunnen komen. Alleen
al over de identiteit en de verwantschapsrelaties
van de voorgriekse taal (die velen pelasgisch noemen,
even willekeurig als de oude Grieken de term
P. bezigden) lopen de hypothesen en speculaties
sterk uiteen; Georgiev en Van Windekens nemen
aan - maar hebben niet bewezen - dat het pelasgisch,
evenals het grieks, een indo-europese taal was,
maar van een ouder type.
Lit. F. Schachermeyr (PRE 19, 252-256; 22, 1494-1548 s.v. Prähistorische Kulturen Griechenlands XI). F. Lochner-Hüttenbach, Die Pelasger (Wien 1960).
Over het z.g. pelasgisch: P. Kretschmer, Die vorgriechischen
Sprach- und Volksschichten (Glotta 28, 1940, 231-278; 30,
1943, 84-218, 244-246). V. Georgiev, Vorgriechische Sprachwissenschaft
1-2 (Sofia 1941-1945). A. van Windekens, Le
Pélasgique (Louvain 1952). Id., Études
pélasgiques (ib. 1960).
E. J. Furnée, Die wichtigsten konsonantischen Erscheinungen
des Vorgriechischen (Diss. Leiden, Den Haag 1972).
D. Briquel, Les Pélasges en Italie. Recherches sur
l'histoire de la légende (Paris 1984). [Nuchelmans]