Tawagalawas

Tawagalawas, persoon die vermeld wordt in de naar hem genoemde brief van een hethitische koning aan de koning van Abbija(wa) - Achaeërs, Achijawa, Madduwattas, Tudhalijas IV - en die door Forrer en anderen als een broer van de '(Groot-)koning van Abbija(wa)' beschouwd wordt. Men twijfelt of de brief van Mursilis II (1344- ca. 1325), Muwatallis (ca. 1300 vC) of Hattusilis III (13e eeuw vC) afkomstig is. De anatolische gegevens wijzen er m.i. op dat men dit diplomatieke schrijven aan een der beide laatstgenoemden zal moeten toeschrijven, ook al is het waar dat Mursilis II op twee plaatsen in zijn 'Uitvoerige Annalen' aan Ab 'ja(wa) en Millawanda (Milete?) refereert. Blijkens het begin van de slechts gedeeltelijk bewaard gebleven tekst heeft T., die evenals de hethitische koning te hulp geroepen wordt door bewoners van Lukka (Lycië), op een bepaald moment de hethitische koning om erkenning als vazalvorst gevraagd, maar zich later op procedurele gronden aan de effectuering onttrokken. De schrijver van de brief doet zijn uiterste best om de ontvanger van de juistheid van zijn eigen optreden te overtuigen, zodat zowel de feitelijke macht van Abbija(wa) op de zuid- en westkust van Anatolië als het aanzien van de '(Groot-)koning' van Abbija(wa) en de nauwe betrekkingen tussen beide koninklijke families in de brief duidelijk naar voren komen. Millawanda, dat in deze historische reconstructie met Milete geïdentificeerd wordt, zoals Apasa, de residentie van de koningen van Arzawa, met Ephese, is onmiskenbaar de basis van de operaties van T., zo al niet zijn residentie. De rest van dit blijkbaar exceptioneel lange diplomatieke schrijven is aan Pijamaradus gewijd, een Anatoliër met een luwische naam, die kennelijk de bescherming van Abbija(wa) genoot en het hethitische bestuur op de westkust tegenwerkte. Het is hoogst opmerkelijk dat het met Ilium (Troje) vergeleken Wilusas (Muwatallis) en Lazpa (Lesbus?) als twistappels tussen beide grootmachten in het tamelijk uitgebreide tekstmateriaal rond deze kwesties uit de 13e eeuw VC worden genoemd.

De historische reconstructie waarop in het bovenstaande gedoeld wordt, impliceert dat met Abbija(wa) in hethitische teksten van het Nieuwe Rijk Achaeërs worden aangeduid en dat tenminste vanaf de tijd van Mursilis II het centrum van hun macht op het griekse vasteland en met name in Mycene gevestigd zou zijn.


Lit. E. Forrer, Forschungen 1, 2. Die Nachbarländer des Hatti-Reiches (Erkner bei Berlin 1929; positief tegenover de hypothese). F. Sommer, Die Abbijava-Urkunden (Abhandlungen der Bayerischen Akad. Wiss. NF 6, München 1932 = Hildesheim 1975; negatief). G. Steiner, Die Abbijawa-Frage heute (Saeculum 15, 1964, 365-392; negatief). Ph. Houwink ten Cate, Contact between the Ae ean Region and Anatolia in the Second Millennium B.C. (in R.A. Crossand/A. Birchall, Bronze Age Migrations in the Aegean, London 1974, 141-161; positief), T. Bryce, Some Reflections on the Historical Significance of the T. Letter KUB XIV 3) Orientalia NS 48, 1979, 91-96; positief). S. Kosak, The Hittites and the Greeks (Linguistica 20, 1980, 33-48; negatief). H. G. Güterbock/M.J. Mellink, The Hittites and the Aegean World: Part 1. The Ahhiyawa Problem Reconsidered (Güterbock); Part 2. Archaeological Comments on Ahhiyawa-Achaians in Western Anatolia (Mellink), (AJA 87, 1983, 133-141; respectievelijk positief en sympathiek tegenover de hypothese). S. Heinhold-Krahmcr, Untersuchungen zu Piyamaradu 1 (Orientalia NS 52, 1983, 81-89). [Houwink ten Cate)



Lijst van Namen