Het sportfestijn dat bekend staat als de Olympische Spelen zoals wij die kennen, werd voor het eerst georganiseerd in 1896 in de stad Athene. Het organiseren van een sportfestijn was alleen niets nieuws. De laatste spelen waren gehouden in het jaar 394 na Chr., 15 eeuwen eerder. In 1896 werd de Spelen alleen nieuw leven ingeblazen. Dat was ook al eens gebeurd in het jaar 884 v. Chr., door koning Ifitus van Elis en Lycurgus, de wetgever van Sparta. De bakermat van de Olympische Spelen lag in het oude Griekenland.
Vanaf het jaar 776 v. Chr. werden lijsten bijgehouden van de winnaars. Wie in onze tijd een gouden medaille wint, kan de naam te weten komen van zijn voorganger zo'n 26 eeuwen geleden! Maar de oorsprong van het nationale sportfeest van de Grieken, waarvoor zelfs oorlogen werden opgeschort, gaat nòg verder terug. Misschien is het wel een plan geweest van de legendarische held Heracles, die omstreeks 1300 v. Chr. van Kreta naar Griekenland zeilde om er een hardloopwedstrijd te organiseren. Het hoofd van de overwinnaar werd getooid met de twijg van de wilde olijfboom die de reizende halfgod van Kreta had meegenomen. Het zou dezelfde boom zijn geweest die later de lauwertakken zou leveren voor de Olympische winnaars. Helemaal onmogelijk was dat niet, want een olijfboom kan gemakkelijk duizend jaar of ouder worden...
Een andere legende wil dat het plan van Zeus zelf is gekomen toen hij met zijn broers Poseidon en Hades de heerschappij over de Aarde, de Wateren en de Onderwereld had veroverd. Uit dankbaarheid liet Zeus op de heilige grond van Olympia wedstrijden houden tussen goden van allerlei rang en stand. Apollo zou kampioen in het hardlopen zijn geworden en zou zelfs de oorlogszuchtige Ares bij het vuistvechten hebben verslagen. Maar pas met de geschiedenis van koning Ifitus van Elis is er meer klaarheid gekomen in de Olympische Spelen.
De ziekte maakte vele slachtoffers in het jaar 884 v. Chr. De geneesheren waren machteloos en de geleerden radeloos. Waar kwam de ziekte vandaan? Misschien uit Ethiopië, overgebracht door zeevaarders of soldaten. Wellicht ook hadden de Spartanen de waterputten vergiftigd om zo hun aartsvijanden de Atheners te verslaan. Want de vijandschap in het land was groot. Landen vochten tegen landen en steden vochten tegen steden. Kinderen werden op school al opgeleid in de kunst van het oorlogvoeren...
Het meest waarschijnlijk leek de ziekte een straf van vader Zeus te zijn, die op deze manier de oorlogvoerende Grieken zijn boosheid liet merken. Maar hoe dan ook, geen sterveling verliet onnodig zijn woning uit angst voor de dodelijke besmetting. Zelfs de haven van Athene waar het anders krioelde van graanschepen uit de Zwarte Zee, van ertsschepen uit Spanje en van Egyptische vrachtvaarders beladen met katoen, papyrus en amandelen, leek uitgestorven. De zeelieden meden de Griekse havens als... de pest!
Ten einde raad besloot men om het orakel van Apollo te Delfi te gaan raadplegen. De koning van Elis, de wijze Ifitus, trok persoonlijk naar Delfi om door middel van het orakel in contact te komen met Apollo. Omringd door vele priesters in blinkend witte gewaden, priesteressen, slaven met ontbloot bovenlichaam en gewone mensen uit Elis, ging hij op weg door de bergen. Zijn einddoel was de smalle rotsspleet waaruit sinds mensenheugenis bedwelmende vulkanische dampen opstegen die de ogen deden tranen. 'Zwijgt, gij vromen en bidt tot Zeus,' klonk de stem van de priester links naast de koning. Hij hief zijn handen ten hemel en alle omstanders volgden zijn voorbeeld. Er klonk fluitmuziek en sommigen zongen een gebed. 'Spreekt tot ons, oh Zeus, vader van alle goden en alle mensen!' Een oude gebaarde priester trad naar voren. Hij leidde een jong meisje tot vlak bij de kloof. Het was een meisje met prachtig blond haar, dat los over haar schouders golfde. Het leek wel alsof ze zich helemaal niet bewust was van wat er gebeurde. Ze was priesteres en zou de boodschap van de goden aan de priesters bekend maken.
Toen wankelde ze en dreigde te vallen. Maar ze herstelde zich en begon wild met haar armen te zwaaien, schudde als een bezetene haar hoofd en stootte onverstaanbare klanken uit. Het waren hoge, schrille kreten, afgewisseld door zangerig gemompel.
'Weest stil, gelovigen,' maande de oude priester,'Zeus spreekt tot ons.' De stem van de jonge priesteres klonk steeds verwarder. Ze dreigde het bewustzijn te verliezen. Maar de oude priester leek haar klanken te verstaan. Hij begon langzaam te spreken: 'Zeus spreekt tot u, oh volk van Zeus. U, Ifitus, koning van Elis, wordt bevolen de Olympische Spelen in ere te herstellen. Te lang heeft uw volk de oorlog gesteld boven de sportieve strijd. Gaat heen, Ifitus en verstaat uw opdracht!' De stilte werd verbroken. Overal klonk het:'Olympische Spelen, Olympische Spelen.
Zo moet het ongeveer geklonken hebben
in Elis, waar de deelnemers aan
de Spelen zich dertig dagen 18ng
voorbereidden op de grootste
gebeurtenis in hun leven. De 55
kilometer tussen Elis en Olympia
zullen ze te voet afleggen, langs de
Heilige Weg. Zo hebben de goden het
bepaald en zo zal het gebeuren.
Onderweg zal een zwijn geofferd
worden om Zeus gunstig te stemmen.
De scheidsrechters zullen zich
reinigen in het heilige bronwater, om
gezuiverd te worden van alle
oneerlijkheid en partijdigheid.
Overal vandaan stromen de toeschouwers
naar Olympia. Ze komen
te voet, met ossewagens, op ezels en
muildieren. Zelfs per schip komen ze
vanuit de Griekse steden in KleinAzië
naar Olympia om getuige te zijn
van deze strijd, die slechts éénmaal in
de vier jaren wordt gestreden. Langs
de weg staan kraampjes met vlees,
vis, brood en vruchten. Men kan zijn
dorst lessen met versneden appelwijn
of helder bronwater. Verder is er van
alles te koop, van kunstvoorwerpen,
stoffen en vaatwerk uit alle delen van
Griekenland, tot en met de liefde...
Dagenlang is het een drukte van
belang in de omgeving van Olympia.
Iedereen verlangt naar die eerste dag,
de dag van de volle maan tussen
augustus en september. Want dàt zal
de dag van de opening zijn.
Daar klinkt het geluid van hoornblazers.
De lange stoet opent met
scheidsrechters in purperen gewaden.
Dan komen de priesters met hun offerdieren,
regeringsvertegenwoordigers
uit alle delen van Griekenland
met zilveren en gouden geschenken
en daarachter de atleten, breedgeschouderd
en bruinverbrand.
Langs bijna zeventig altaren trekt de stoet in de richting van het altaar van Zeus. De offerdieren worden geslacht en in stukken verdeeld. Het vet en de ingewanden worden verbrand in een vuur van zilverpopuliertakken. Het vlees wordt genuttigd. Overal klinken gezang, gebeden en fluitspel. Menigeen staart angstig omhoog. Zou Zeus geen haviken sturen om het offervlees te stelen....? Dat zou een ongunstig voorteken zijn!
Vóór het beeld van Zeus leggen de
atleten de Olympische eed af. Ze
zweren vrije mannen te zijn, nooit de
wet te hebben overtreden en zich tien
maanden lang tot het uiterste te hebben
voorbereid. De scheidsrechters
steken de hand op en beloven Zeus de
Spelen in alle eerlijkheid en volgens
de regels te zullen leiden. Zilveren
potten worden aangedragen met loten.
Mannen die dezelfde letter uit de
pot trekken, zullen elkaars tegenstander
zijn.
De Spelen kunnen beginnen.
'Af!' Vier lopers schieten als bliksemschichten uit de startdrempels. Ineens Is het stadion een orkaan van lawaai. De aanmoedigingen barsten los. Iedereen wil dat de atleet van zijn stad de overwinning zal behalen. Die zal dan de olijftakken om zijn slapen krijgen, zijn beeltenis zal in marmer gehouwen worden en misschien zullen de Spelen naar hem worden vernoemd. Het is Talaus die een kleine voorsprong neemt. Talaus komt uit Sparta. De aanmoedigingen zijn oorverdovend en het is niet moeilijk te raden uit welke hoek de toejuichingen komen. De Spartanen schreeuwen, gillen, tieren... Ook Talaus zelf laat zich niet onbetuigd. Hij loopt alsof Hades, de God uit de onderwereld, hem op de hielen zit. Hij moedigt zichzelf aan met luide kreten, misschien ook wel om zijn tegenstanders angst aan te jagen. Maar dan komt een tengere man naar voren. Het is Scopias van Thebe. El voor el wint hij op zijn tegenstander. Slechts enkele ellen scheiden hen nog van de eindstreep. Dan werpt Scopias zijn lichaam naar voren en gooit als het ware zijn lichaam over de eindstreep. Languit schuurt hij over het zand. Maar hij voelt niets van dit alles.
'De zege is voor Scopias van Thebe...!' Wat een eer voor deze atleet. Hij knielt voor het altaar van Zeus en veegt het stof uit zijn gezicht. Dan betreedt hij het altaar en ontsteekt het Olympische vuur. De Spelen zijn begonnen.
Dysneicetus staat klaar voor het tweede onderdeel van het pentatlon, het vérspringen. Ineengedrongen staat hij daar, één bonk spieren. Er klinkt fluitspel. De man heeft in elke hand een brok lood van 4 kilo. Zijn vingers steken door gaten in het lood. Dan komt de aanloop. Als een adelaar zweeft hij door de lucht. De handen worden met een ruk naar voren gegooid. De brokken lood moeten hem de snelheid geven om te kunnen vliegen. De fluitspeler ontlokt schrille tonen aan zij n instrument. Met een duidelijk hoorbare plof landt Dysneicetus in het zand. Zijn afstand is genoeg voor een derde plaats, naar later zal blijken. Nu omknelt de rechterhand van Dysneicetus de essehouten speer. Staat hij niet bekend als de man die de speer verder kan werpen dan wie dan ook in Croton? Met de linkerhand veegt hij liefkozend langs de metalen speerpunt. Dan knielt hij op één knie. Het is alsof hij bidt tot zijn goden. Dan komt hij overeind, zwiept het prachtige naakte lichaam als een veer naar achter en met een fluitend geluid doorklieft de speer de lucht. Trillend blijft hij in de grond steken. Honderdnegentig voet! Zijn tweede overwinning in de vijfkamp is een feit. Nog één overwinning scheidt hem van de absolute zegepraal. Daarvoor zijn drie overwinningen nodig. Er resten nog hardlopen en worstelen. Zal het hem lukken?
In zijn hart weet Dysneicetus dat hij zich niet meten kan met de razendsnelle atleet Scopias uit Thebe. Een vage hoop heeft hij echter nog steeds. Maar Dysneicetus wordt royaal verslagen door de man uit Thebe. Nu staat hij tegenover Simonides uit Keon, zijn tegenstander bij het worstelen. De huid van Dysneicetus glanst van de olie. Zijn tenen krommen zich in het zand en loerend draait hij om Simonides heen om een zwakke plek in diens verdediging te vinden. Simonides is waakzaam. Niet voor niets is hij itampioen van Keon. Bovendien is hij zwaarder gebouwd dan Dysneicetus, hoewel die weer het voordeel heeft dat hij iets langer is. Dan klinken luide kreten. Als twee beren stormen de twee mannen op elkaar in, tastend naar houvast aan elkaars lichaam. Het is één glibberig gekronkel van armen en benen. Het stadion staat op zijn kop! Het lawaai moet tot in Elis te horen zijn! Plotseling schiet de linkerarm van Dysneicetus onder de oksel van Simonides door om vervolgens als de arm van een inktvis weer terug te komen over de schouder, onder de kin van Simonides. Even kan deze zich staande houden. Hij probeert zich te ontworstelen aan de klemmende greep van Dysneicetus. Vergeefs, hij gaat languit! Hij ligt op zijn buik en voelt de knie van zijn tegenstander op zijn rug. Hij kan geen vin meer verroeren. De strijd is gestreden.
De drie overwinningen voor Dysneicetus betekenen de absolute overwinning in het pentatlon. Als één man rijzen de toeschouwers van hun zitplaatsen. Vergeten is de kwelling van de miljoenen muggen en vliegen, die het leven op de tribunes bijna ondraaglijk maken. Er is een held te bejubelen: Dysneicetus, de man uit Croton. De olie- en zandlaag wordt met sikkelvormige schrapers van zijn huid gekrabd. Hij hoort ternauwernood het oorverdovend lawaai van de duizenden. Hij is triomfator in het pentatlon. En daarvoor dankt hij Zeus!
In de arena staat Theagenes vam Thasos, de zoon van een priester. Sterk als een beer was hij al vele malen winnaar bij belangrijke gevechten. Langs de tribunes gonst het gerucht dat hij op zijn geboorteeiland Thasos met blote handen een standbeeld van zijn voetstuk heeft gebroken, het op zijn schouders heeft gelegd en het heeft meegenomen naar huis...
Zijn tegenstander is Polydamas uit Thessalië, die in zijn trainingsperiode oefende met de sterkste stieren uit een kudde. Als regel hield hij daarbij zijn 'tegenstander' zo lang mogelijk bij de achterpoten vast, totdat deze zich- tot het uiterste getergd - losrukte.
Deze twee sterke mannen, uit Thasos en Thessalië, staan nu tegenover elkaar. Het wordt een vreselijk gevecht. Ten slotte slaagt Polydamas erin om het hoofd van zijn tegenstander tussen zijn knieën te klemmen. Hij dreigt met wilde kreten dat hij de nek van Theagenes zal breken. Theagenes kiest de wijste partij. Met de volle vuist ramt hij op de borst van Polydamas als teken van overgave. Pas dan laat die hem los en steekt beide handen zegevierend in de lucht. Theagenes krabbelt overeind en omhelst zijn tegenstander. Aan niets is te merken dat hij een gevoel in zijn nek heeft alsof Polydamas hem als kurketrekker heeft gebruikt. Lafheid, pijn of angst toont men niet... De olijftak is voor Polydamas. En heel Thessalië zal hem eren..!
De Spelen te Olympia kregen een vermaardheid
waarbij de andere Pan-Helleense
Spelen in de schaduw
kwamen te staan. Vanzelfsprekend
straalde ook glorie af van de
lauwerkransen, verworven bij de
Pythische Spelen in Delfi en van de
pijnboomtakken bevochten in de
Isthmus bij Korinthe. De Nemeïsche
Spelen leverden eveneens een krans
van bladeren op, maar dat alles zonk
in het niet bij de strijd in Olympia.
De kroon van olijfbladeren werd ook
begeerd door lieden buiten Griekenland.
Zelfs de Romeinse keizer Nero,
bepaald niet bekend als een begaafd
sportman, behaalde een 'zege'. Hij
deed mee. aan de wagenrennen en
sloeg met zijn zweep meer naar zijn
tegenstanders dan naar zijn paard.
Ten slotte viel hij in het stof en zijn
vierspan ging onbemand over de
eindstreep. Zijn tegenstanders waren
inmiddels gestopt, want ze waagden
het niet van de keizer te winnen. De
dikke keizer waggelde door het stof
zijn vierspan achterna en viel puffend
aan de eindstreep neer. Hij behaalde
de belachelijkste overwinning die
ooit op de Olympische Spelen was
bevochten...
In 394 na Chr. verbood de Romeinse
keizer Theodosius,
de Christenkeizer, de Spelen als een heidens
feest. In dat jaar stonden de
worstelaars, de wagenrenners en de
andere atleten voor het laatst in de
overvolle stadions. Het zou 15 lange
eeuwen duren voor men op de gedachte
kwam om de Olympiade (een
tijdsbestek van 4 jaren) in ere te
herstellen.
Op 6 april 1896 werden de eerste moderne
Olympische Spelen in Athene
geopend.