Horen

Horen (Ὧραι, latijn Horae), in de griekse en romeinse mythologie personificaties van groei, bloei en rijpheid in de natuur, van bloei en welvaart in het particuliere en openbare leven, en vanaf de hellenistische tijd ook van de drie of vier jaargetijden. De aard van de H. verschilde sterk naar gelang van tijd en plaats. In de Ilias bewaken zij de wolkenpoort van het godenverblijf op de Olympus. In Hesiodus' Theogonie (901-903) zijn ze dochters van Zeus en Themis en heten Eunomia (Wettigheid), Dike (Recht) en Eirene (Vrede); het uit deze namen blijkende politiek-ethische aspect der H., dat ook aan Pindarus bekend is, schijnt verdwenen te zijn toen Eunomia, Dike en Eirene zich tot zelfstandige godinnen ontwikkelden.

In Athene droegen de H. de sprekende namen Θαλλώ (Bloei), Καρπώ (Rijpheid) en - minder zeker - Αὐξώ (Groei). Hun cultus was in Griekenland nauw verbonden met die van Zeus, Hera, Demeter, Dionysus en Aphrodite, van wier gevolg ze deel uitmaakten.

In literatuur en beeldende kunsten treden de H. ook dikwijls samen met Chariten, Muzen en nimfen op; van eerstgenoemden zijn ze dikwijls niet of nauwelijks te onderscheiden. De oudste afbeeldingen van H. vinden we op de François-krater in Florence (ca. 560 vC), op de z.g. Phineus-schaal in Würzburg (ca. 520 vC) en op de schaal van Sosias in Berlijn (ca. 500 vC). Vanzf de 2e eeuw nC worden in de romeinse kunst de vier jaargetijden ook weergegeven in de vorm van putti of jongelingen.

Lit. A. Jolles (PRE 8, 2300-2313). A. Rapp (Roscher 1, 27122741). E. Simon (EAA 7, 468-473). - G. Hanfmann, The Season Sarcophagus in Dumbarton Oaks 1-2 (Cambridge Mass. 1951; met uitvoerige inventaris van alle antieke afbeeldingen). F. Matz, Ein römisches Meisterwerk. Der Jahreszeitensarkophag Badminton-New York (Berlin 1958). [Nuchelmans]


De linker Hore draagt een tak van een wijnstok, de middelste een taak van de granaatappelboom
en een tak met citroenen, de rechter een mandje.



mythen