Martialis

Marcus Valerius Martialis, geboren 40 nC te Bilbilis (Spanje) en aldaar gestorven ca. 104 nC, is de grootste romeinse epigrammendichter. Met Seneca en Quintilianus getuigt hij van de regeneratieve kracht van de spaanse influx in de latijnse letteren. Zijn honderden epigrammen verschaffen ons een uniek inzicht in de sociale milieus waarin hij verkeerde; zij zijn een ware zedenspiegel van het keizerlijke Rome, waar hij aanvankelijk onder het patronaat der familie Seneca, later ook van anderen, verkeerde tussen ca. 64 en ca. 98 nC. Zijn relatie als cliënt met de leidende kringen wordt getekend in een brief van de grand seigneur Plinius Secundus (3,21), die een necrologie bevat van de 'kleine dichter', die hij met zijn vriendschap en materiële bijstand vereerde. De karakteristiek is treffend: erat homo ingeniosus acutus acer et qui plurimum in scribendo et salis haberet et fellis, nec candoris minus (hij was een schrandere, scherpe en fijne geest, als schrijver even eerlijk als geestig en hatelijk). Wij lezen er ook dat Plinius Martialis' terugreis naar zijn geboorteland betaalde, na een verblijf van 34 jaar, niet zonder heimwee, in Rome. In Spanje heeft hij toen alleen nog boek 12 gepubliceerd. De Liber spectaculorum (Boek der schouwspelen) met gedichten over het juist geopende Colosseum, de Xenia (Gastgeschenken) en de Apophoreta (Geschenken om mee naar huis te nemen) met eveneens weinig interessante disticha ter begeleiding van geschenken, en zijn eerste 11 boeken epigrammen zijn successievelijk in Rome ontstaan.

In geen werk is de 'présence' van de stad Rome zo voelbaar als in de uiterst concrete belevenispoëzie van deze geniale poeta minor, levenslang broodschrijver en parasiet, maar gered door zijn humor. Die humor is vaak cynisch en illusieloos, maar toch zelden boosaardig of grof krachtens de normen van zijn tijd. Hetzelfde geldt voor zijn uitlatingen op sexueel gebied, door hem als Romana simplicitas aangeduid (11,20) en als literair en genre-gebonden verdedigd (1, praefatio; 1,4). Boek 5 wordt aangekondigd als 'kuis', omdat het aan keizer Domitianus (!) is opgedragen. Zijn vleierij van deze despoot overigens geëvenaard door die van Statius en Quintilianus - moet als uit de nood geboren worden gezien. Ze leverde hem het financieel voordelige ius trium liberorum ('de privileges van hen die drie kinderen hebben') en het krijgstribunaat op met het daaraan verbonden statussymbool op de equitesrijen in het theater te mogen zitten (2,91; 3,95). Zijn dagelijks brood moest hij bij de potentes afbedelen in de vorm van sportulae (fooien) bij de salutatio en invitaties voor diners, in ruil voor een 'vereeuwiging' van hun namen in zijn gedichten. Deze relatie is een zeer zakelijke: M. vraagt schaamteloos en een ondermaats cadeautje wordt schaamteloos afgewezen (6, 82; 11,18). M. is door critici eindeloos om zijn menselijke fouten gekapitteld; maar reeds Plinius zag de reddende candor: eerlijkheid, openheid, directheid, geheel vrij van het wat achterbaks aandoende 'gegrübel' van zijn vriend Juvenalis, aan wie hij (12, 18), evenals aan Quintilianus (2,90), Plinius (10,20) en andere literaire tijdgenoten gedichten wijdde. En er zit iets oerkrachtigs in de wijze waarop hij, bij alle scepsis, toch zijn levensideaal van rustieke eenvoud verwoordt (5,20; 10,47). Voor de pretenties van de dogmatische stoa was hij te nuchter (1,8). In zijn literaire vormgeving is de invloed van Catullus voelbaar, maar bovenal sluit M. aan bij de traditie van het griekse literaire epigram, dat zich uit de 'opschriftkunst' ontwikkeld had tot een speelse, kernachtige vorm voor allerlei gedachten en bedoelingen, o.a. erotische. In de epigrammen van Nicarchus en Lucillius, stammend uit de tijd van Nero en opgenomen in de Anthologia Palatina, treedt het element van goedmoedige of venijnige spot en satiriek naar voren, dat door M. in hoogste vervolmaking en met romeins realisme is uitgebuit, zonder dat daarbij andere meer traditioneel-epigrammatische motieven (bv. in de gevoelige grafdichten 10,61 en 5,34, maar vlg. 5,37) verdwijnen.

tekst

De pointe komt vaak als aprosdokèton (ἀπροσδοκητός = onverwacht) aan het slot en allerlei vormen van woordspeling - ook typisch romeins - treden op (1,79; 7,75). Alles en iedereen moet het ontgelden, 'dodelijke' doktoren (6,53; 1,47; 1,30), stompzinnige advocaten (5,21; 5,54; 6,19), barbiers, schijnheilige moralisten (1,24), schriele gastheren, inhalige of aftandse disgenoten (6,74) en echtgenoten (11,71). De gebezigde metra zijn al even gevarieerd: elegische disticha, choliamben, phalaeceïsche verzen en nog meer. De beste epigrammen (een minderheid) zijn van een evocerende dramatiek die ze onvergetelijk maakt als onthulling van de comédie humaine.

De waardering voor M. als onovertroffen grootmeester van een 'kleine' literaire vorm is na zijn dood altijd groot gebleven. De middeleeuwse overlevering, teruggaande op 3 antieke exemplaren, is goed. In de 17e eeuw werd hij zeer veel nagevolgd (ten onzent o.a. door Huygens en Roemer Visscher) en besproken (Lessing).


Lit. Literatuuroverzicht over de periode 1925-1942 bij R. Helm in Lustrum 1, 1956, 299-318; 2, 1957, 187-206. Tekstuitgaven: Editio princeps Rome 1470. Moderne uitgaven: W. M. Lindsay, M. Epigrammata (Oxford 1902, ²1929). W. Heraeus, M. Epigrammaton libri (Leipzig 1925). Commentaar: L. Friedländer, M. Valerii Martialis Epigrammaton libri 1-2 (Leipzig 1886 = Amsterdam 1968; met index verborum en belangrijke inleiding). Met engelse vertaling: W. C. Ker, Martial, Epigrams (Loeb Class. Libr., London 1919). Met franse vertaling: H.-J. Izaac, Martial, Épigrammes 1-3 (Paris 1930-1933). Met duitse vertaling: R. Helm, Martial, Epigramme (Zürich/Stuttgart 1957). Nederlandse vertaling van de boeken 1 en 2: H. Schuurmans, Marcus Valerius M., Epigrammen (Amsterdam/Antwerpen 1970). Studies: R. Helm (PRE 8A, 55-85). - P. Oltramare, Les épigrammes de Martial et le témoignage qu'elles apportent sur la société romaine (Genève 1900). K. F. Smith, Martial the Epigrammatist and Other Essays (Baltimore 1920). P. Nixon, Martial and the Modern Epigram (London/New York 1927). H. Huisintveld, De populaire elementen in de taal van M. Valerius Martialis (Diss. Nijmegen, Roermond 1949). K. Barwick, Martial und die zeitgenössische Rhetorik (Verh. der Sächsischen Akad. Wiss. Leipzig, Philologisch-historische Klasse 104, 1, Berlin 1959). E. Siedschlag, Martial-Konkordanz (Hildesheim 1979). [Leeman]



Lijst van Auteurs