Efraïm

Efraïm (hebreeuws 'efrajim, etymologie onzeker, misschien hangt de naam samen met 'vruchtbaarheid'), is de naam van de tweede zoon van Jozef en Asenath (Gn 41, 52; 46, 20). Zijn naam is opgenomen in de zegen van Jakob (Gn 49, 22-26) en van Mozes (Dt 33, 13-17). Hij wordt dikwijls tezamen met zijn broeder Manasse genoemd.

De stam E. vestigde zich in het midden van het westjordaanse bergland en drong Manasse naar het noorden. Volgens de overlevering was Jozua, de opvolger van Mozes, uit E. afkomstig (Joz 24, 30). Er wordt gewag gemaakt van strijd met Gideon van Manasse (Ri 7, 248, 3) en met Jefta uit Gilead (Ri 12, 1-6). In het verhaal van het laatstgenoemde conflict speelt een dialectisch verschil een rol, getuige de uitspraak van sibbolet, waaraan zij te herkennen waren (12, 6). Onder Salomo vormde E. een provincie (1Kg 4, 8). Bij de deling van het rijk na Salomo's dood kreeg E. - waaruit ook Jerobeam afkomstig was - een leidende rol in het noorden. Daarom wordt door de profeten Jesaja, Jeremia, Ezechiël, Obadja en Zacharja maar vooral door Hosea (16 x) van E. gesproken als zij het gehele noordelijke rijk bedoelen. Na de val van Samaria in 722 vC kwam E. onder assyrische heerschappij. Tijdens het verval van de assyrische macht kwam E. onder Josia van Juda, maar na de veroveringen van Nebukadnezar werd het opgenomen in de provincie Samaria en verdween daarna uit de geschiedenis.


Lit. E. Jenni, Historisch-topographische Untersuchungen zur Grenze zwischen Ephraim und Manasse (ZDPV 74, 1958, 35-64). M. Noth, Das Ephraim von 2 Sm. 13, 23 (ZDPV 82, 1966, 264-270). [Beek]


Afkortingen Lijst van Namen