Onder c.a. in ruimere zin
verstaat men een liturgische handeling, waarbij de
ziel van een stervende aan God wordt aanbevolen
(vgl. Lc 23,46; Hand 7,59). In een reeks gebeden
worden de engelen en heiligen gevraagd, de ziel tot
Christus te geleiden. In engere zin duidt c.a. een oud
litanie-achtig gebed aan, waarbij de afzonderlijke
beden telkens met Libera worden ingeleid; vgl. de
orationes ps.-cyprianae (ed. G. Hartel, CSEL 3, 3,
144-151) uit de 7e eeuw en de Passio S. Philippi
Heracliani (Ruinart, Acta martyrum 447) uit de 4e
eeuw. Naast de dominerende OTische voorbeelden
van redding uit gevaren (Henoch,
Noach,
Abraham,
Job, Izaak,
Lot, Mozes, Daniël,
de drie jongelingen,
Suzanna, David) worden als NTische voorbeelden
Petrus en
Paulus en Thecla genoemd. De
oudchristelijke kunst heeft voor deze motieven zeer
sprekende parallellen. Er bestaan ook overeenkomsten
met joodse gebeden (vgl. H. Leclercq, DAL 4,
43 7 -439).
Lit. H. Leclercq (DAL 4, 429-441; 14, 2163). - L. Gougaud,
Études sur les 'ordines c.a.' (EL 49, 1935, 3-27). R. Rudolf,
Ars moriendi (Köln/Graz 1957). [Bartelink]