Amon

tekeningAmon, een egyptische god. De naam luidt in het grieks Ἀμων en Ἀμουν, in het koptisch amun; de oudste egyptische vorm is amanu, waaraan de betekenis 'de verborgene', zeldener 'de (eeuwig) durende' toegekend werd. A. was de voornaamste god van het egyptisch pantheon onder het Nieuwe Rijk, te Karnak vereerd als imn-nb-ns-wtt3.wy = Μεστωοθς(?) 'Amon, heer van de tronen der beide landen' samen met zijn gemalin Mut en hun zoon Chonsu, te Luxor als Amenemope(t), imnm-ip.t = Ἀμενωφις 'Amon (is) in zijn (zuidelijke) harem', onder de gedaante van Min. Hij werd nog met vele andere goden geïdentificeerd, voornamelijk met Ptah, de rijksgod van het Oude Rijk, en met Re; als zodanig werd hij imn-r'-nsw-nt_r.w = Ἀμονρασωθηρ 'A.-Re, koning der goden' en later gelijkgesteld met Zeus. Afbeeldingen van A. in ANEP nr. 321; 550-552.

Hij verschijnt eerst onder de 11e dynastie en zijn oorsprong is duister. Volgens sommigen is hij dezelfde als de Amon die met zijn gade Amaunet deel uitmaakt van de Ogdoade van Hermupolis en werd hij later naar Thebe overgeplant. Hoewel hij eerst betrekkelijk laat als god van de levengevende lucht vereerd werd, bezat hij misschien reeds te Hermupolis dit karakter: hierop kan zijn naam 'de verborgene' wijzen en zijn mensengestalte, die hem als kosmische god kenmerkt. Dat de ram zijn heilig dier werd, is daarom waarschijnlijk een secundair verschijnsel; ook de nijlgans was hem toegewijd. Te Thebe werd hij de vader van alle goden of zij golden als zijn hypostasen. De cultus van de rijksgod werd buiten Egypte verspreid. Daarom was de omwenteling van Amenhotep IV-Echnaton vooral tegen zijn religieuze en economisch-politieke macht gericht. Onder de 22e en 23e dynastie bleef hij de meester van de zuidelijke theocratie, beheerd door de priester-koningen; zijn cultus veroverde de oasen (Ammon) en hij heerste te Napata als oppergod van Nubië. Na de inval van de Assyriërs (664 vC) werd hij een locale god van Thebe, ten dele zelfs verdrongen door de voormalige god van de gouw Montu.

In de late tijd werd Osiris de voornaamste god. Afbeeldingen van muren enz. van de A-tempel te Karnak in ANEP nr. 312v; 349. Hymnen ter ere van A. (in engelse vertaling door J. A. Wilson) in ANET 365-367b; 368a-369a; 369b; 371b-372a. Dankgebeden ib. 380-381a; 446a-447b (vgl. de 'profetie' 447b-448b). Het ritueel van het zg. wekken van A. ib. 325a-326a.


Lit. Bonnet (RÄR 31-37). [Vergote]


Lijst van Goden