Koinè

Koinè (κοινή sc. διάλεκτος), aan de oudheid ontleende naam voor de algemene griekse taal van de hellenistische tijd en de eerste vijf eeuwen nC. Vanaf het eind der 5e eeuw vC werd zowel het geschreven als het gesproken attisch, de taal van de grootste economische en culturele macht van Griekenland, steeds meer tot algemeen nagevolgd model en tot bovengewestelijk communicatiemiddel van de griekse staten. Dit proces werd in de hellenistische tijd sterk bevorderd door de vermindering van het particularisme der poleis en door het feit dat het attisch de hof- en kanselarijtaal was van de hellenistische koninkrijken, in navolging van Macedonië sinds ca. 400 vC. De k. verbreidde zich snel over Griekenland, Klein-Azië, Egypte, het Nabije Oosten en vele plaatsen van Italië en Zuid-Frankrijk en deed de bestaande griekse dialecten binnen twee à drie eeuwen vrijwel geheel uitsterven; zij is er echter niet in geslaagd de verschillende talen die ze in het Oosten ontmoette - en die ze sterk beïnvloed heeft te verdringen. De belangrijkste bron voor onze kennis van de levende k. vormen de duizenden papyri en inscripties die we uit deze periode bezitten; de literaire k., waarvan we de eerste sporen vinden bij auteurs als Xenophon, Aeneas Tacticus en Hyperides en waarvan (Polybius, Epictetus en Diodorus Siculus de zuiverste vertegenwoordigers zijn, werd vanaf de 2e eeuw nC teruggedrongen door het atticisme, dat de klassieke attische auteurs tot model verhief.

De hoofdkenmerken van de k. zijn:
1. vrijwel totale afwezigheid van differentiatie in dialecten;
2. een hoofdzakelijk attische grammatica met een sterke tendens tot normalisering van anomalieën (bv. vervanging van de praesentia op -μι door praesentia op -ωοο, generalisering van de aoristi op -σα) en vervanging van al te uitgesproken attische elementen door ionische of algemeen-griekse (σσ i.p.v. ττ, ρσ i.p.v. ρρ, voorkeur voor η i.p.v. α bij alle feminina enz.);
3. grote tolerantie m.b.t. lexicale en syntactische eigenaardigheden uit andere talen waarmee de k. in contact kwam (bv. in de Septuagint en het NT; Bijbelgrieks).

Het spreekt vanzelf dat de k. tijdens de acht eeuwen van haar bestaan aan de gebruikelijke historische ontwikkeling onderhevig is geweest; zo heeft het fonologisch systeem ingrijpende wijzigingen ondergaan, het perfectum en de optativus stierven geleidelijk uit, de naamvallen werden steeds meer door praeposities omschreven.


Lit. A. Thumb, Die griechische Sprache im Zeitalter des Hellenismus. Beiträge zur Geschichte und Beurteilung der κοινή (Strassburg 1901). A. Meillet, Apen;u d'une histoire de la langue grecque't (Paris 1965) 239-318. L. Radermacher, Κοινή (Sitzungsberichte Wiener Akad. Wiss., Philologisch-historische Kl. 224, 5, 1947). A. Debrunner, Geschichte der griechischen Sprache 2 (Berlin 1954). [Nuchelmans]


Register