Wereldwonderen (θεάματα). Als zodanig werden sinds de hellenistische tijd enkele indrukwekkende monumenten beschouwd, die gewoonlijk tot een zevental gegroepeerd werden. De lijst, waarvan de oorsprong onbekend is, is sinds de 3e eeuw vC overgeleverd m diverse varianten, zowel wat de inhoud als wat de volgorde betreft. Het meest worden genoemd de piramiden van Egypte, de muren van Babylon, de hangende tuinen van Semiramis, Phidias' Zeus-beeld te Olympia, het mausoleum van Halicarnassus, de Artemis-tempel van Ephese en de kolos van Rhodus. Daarnaast komen o.m. voor de egyptische stad Thebe, de vuurtoren van Pharus en het grote altaar van Pergamum.
Een zekere Philo van Byzantium - niet te verwarren
met zijn oudere naam- en stadgenoot
Philo schreef
in de 6e eeuw nC een klein boekje 'Over de
zeven wereldwonderen' (Περὶ τῶν ἑπτὰ θεαμάτων,
uitgegeven door R. Hercher als appendix bij zijn
Aelianus-editie, Parijs 1858).
Lit. J. Lanowski (PRE Suppl. 10, 1965, 1020-1030). - F. Krischen,
Weltwunder der Baukunst in Babylonien und Jonien (Tübingen
1956). [Nuchelmans]