(A) Bouwkunst. Van de egyptische bouwkunst zijn het best bekend de monumenten die voor de eeuwigheid opgericht waren: graven en tempels. De voornaamste grafbouw is in zijn wezen en ontwikkeling, van trappenpiramide tot vlakke piramide, grondig bestudeerd. Tegenover de mastaba's uit het Oude Rijk staan de in de rotsen gehouwen graven uit het Middel- en Nieuwe Rijk. De tempels (zie sub V.B.1) vertonen van in het Middel-Rijk tot in de ptolemaeïsche periode dezelfde aanleg, met uitzondering van de dodentempels van Mentuhotep II en van Hatsjepsut te Deir el-Bahri en van de rotstempels van Abu Simbel. Zelfs de dodentempel van Seti I te Abydus met zijn zeven naast elkaar liggende kapellen kan nauwelijks als een afwijking beschouwd worden. Van de burgerlijke architectuur zijn veel minder monumenten bewaard omdat zij in het algemeen niet in hetzelfde duurzaam materiaal waren opgetrokken. Dit geldt zelfs voor de koningspaleizen. Op dit gebied bezitten wij voornamelijk gegevens over el-Amarna en over het paleis dat door Ramses III in zijn dodentempel van Medinet Habu ingebouwd was. Privé-woningen in het geheel van een stadscomplex werden blootgelegd te el-Amarna, Illahun en Deir el-Medina. Doch elk van deze vormt sociologisch en historisch een aparte entiteit, wat niet toelaat hieruit algemene conclusies te trekken.

(B) De beeldhouwkunst. Om de eigen aard van de egyptische beeldhouwkunst te begrijpen mag niet uit het oog verloren worden dat de kunstenaar, wanneer hij het beeld van een god of een mens maakte, hiermede iets beoogde te scheppen dat dezelfde realiteit bezat als het levend wezen. De naam, die meestal op of naast het beeld gegraveerd werd, identificeerde het met het wezen; het magisch ritueel van het 'openen van de mond' bezielde het met leven. Door ieder van hun beelden kregen de god of de mens een nieuw bestaan. Zo is het duidelijk, waarom de beelden in algemene regel geen toevallige verschijningsvorm, maar een ideale voorstelling geven van de betrokken persoon. Dit belet evenwel niet dat de opeenvolgende perioden stijlverschillen vertonen en dat in deze ontwikkeling hoogte- en laagtepunten met elkaar afwisselen. Wat hierboven gezegd wordt over de magische rol van de geschreven naam verklaart ook enigszins de usurpatie van bepaalde koningsbeelden door een van de opvolgers.
De egyptische beelden hebben zeer gevarieerde houdingen:
rechtopstaand persoon, meestal met één voet
vooruit; zittend op een kubus of op een zetel met
rugleuning; knielend op beide knieën of op één
enkele; gehurkt en lezend of schrijvend. Onder het
Middel-Rijk verschijnen de eerste exemplaren van
het kubushurk-type, dat in de Late Tijd een groot
succes kent. Sinds de 18e dynastie ontwikkelt zich
het type van de rechtstaande of knielende persoon
die een naos met godsbeeld, een stèle of een offertafel
vóór zich uit draagt.
De geschiedenis van de reliëfkunst loopt over het
algemeen parallel met die van de ronde sculptuur.
(C) De schilderkunst kan niet scherp gescheiden
worden van de reliëfkunst, aangezien de basreliëfs
gewoonlijk gekleurd waren. Tekeningen komen
meestal slechts voor in onvoltooide graven, als
voorbereiding tot het uitvoeren van de basreliëfs,
ofwel als schetsen op ostraca. Zoals dit met de
andere genres van de plastische kunst het geval is,
vertonen reeds de oudst bewaarde specimina van de
schilderkunst, bv. de Ganzen van Meidum, uit een
mastaba van de 4e dynastie, een hoge volmaaktheid.
De egyptische schilderkunst bereikt haar toppunt in
de privé-graven uit het Nieuwe Rijk. Men onderscheidt
verschillende stijlvormen, doch het is moeilijk
er een ontwikkelingslijn in te ontdekken en het
onderzoek is op dit gebied nog niet ver gevorderd.
In de graven van de Ramessiden vervalt zij in een
koud academisme. Zij heeft vermoedelijk een grote
rol gespeeld in de paleizen en de privé-woningen, als
versiering van de wanden en zelfs van de vloer, doch
slechts enkele overblijfselen uit el-Amarna zijn bewaard
gebleven.
(D) Muziek en dans. Reeds de mastaba's uit het
Oude Rijk bevatten afbeeldingen van musicerende
en zingende personen en van danseressen. De grafscènes
en archeologische vondsten geven een idee
van de rijke keuze van muziekinstrumenten. Onder
de snaarinstrumenten vindt men, naast verschillende
vormen van harpen, de luit en de fier. Het belangrijkste
blaasinstrument was de fluit, uit riet of hout
vervaardigd. Voor het ritme zorgden trommels,
kleppers en sistrums. Muziek en zang speelden in de
liturgie, bijzonder op de feestdagen, een voorname
rol, zoals blijkt uit het bestaan van een talrijke
klasse van dit tempelpersoneel. Aan het hof bekleedden
de beroepsmuzikanten een belangrijke
plaats. Het bestaan van een burgerlijke lyriek (zie
sub VII)
veronderstelt ook op dit gebied muziekbeoefening.
(E) De kunstnijverheid is ons buitengewoon goed bekend,
dank zij de vondsten in de graven. De voortreffelijkheid
van het meubilair wordt o.a. geïllustreerd
door de begraafplaats van koningin Hetepheres,
de moeder van Cheops, te Giza, en door het
beroemde graf van Tutanchamon.
Voor de bloei van
de goudsmid- en juweelkunst getuigen bovendien de
sieraden afkomstig uit de graven van prinsessen van
de 12e dynastie te Dahsjur en Illahun, de schat van
koningin Ahhotep, van de 18e dynastie, enz. Vazen,
bekers en schalen werden van albast of ander kostbaar
gesteente, van ceramiek, faience en brons vervaardigd;
sinds de 17e dynastie ook van glas. Van
de oudste tijden af vertonen zij een grote verscheidenheid,
sierlijke vormen en lijnen, en zij zijn van
uitmuntende kwaliteit. De glyptiek vond een uitgebreide
toepassing in het vervaardigen van cilinderzegels,
scarabeeën en amuletten.
Lit. Al. Badawy, A History of Egyptian Architecture, 2 dln. (Giza 1954; Berkeley/Los Angeles 1966). - Marie Claire Weynants-Ronday, Les statues vivantes (Bruxelles 1926). B. Hornemann, Types of Ancient Egyptian Statuary, 5 dln. (Kopenhagen 1951-1966). - Nina Davies/A. H. Gardiner. Ancient Egyptian Paintings, 3 dln. (Chicago 1936). A. Mekhitarian, La peinture égyptienne (Genève 1954). J. Vandier, Égypte. Peintures des tombeaux et des temples (New York (UNESCO) 1954). H. W. Müller, Alt-ägyptische Malerei (Berlin 1959). M. Wegner, Stilentwicklung der thebanischen Beamtengräber (Mitt. dt. archäol. Inst. Kairo 4, 1933, 38-164). - W. Wolf, Das ägyptische Kunstgewerbe, in H. T. Bossert, Geschichte des Kunstgewerbes 4 (Berlin 1930) 48-142. Muziek: zie bijdrage van H. Hickmann in Helck/Otto 232-238.
Lit. over Kunst. Algemeen. J. Vandier, Manuel d'archéologie égyptienne. I. Les époques de formation (Préhistoire; Les trois premières dynasties); II. Les grandes époques (L'architecture funéraire; L'architecture religieuse et civile); III. Les grandes époques (La statuaire); IV. Bas-reliefs et peintures (Scènes de la vie quotidienne) (Paris 1952-1964). H. Schäfer, Von ägyptischer Kunst, besonder der Zeichenkunst (Leipzig 1919; Wiesbaden 1963). W. Wolf, Die Kunst Ägyptens (München 1957). W. St. Smith, The Art and Architecture of Ancient Egypt (Harmondsworth 1958; ²1965). É. Drioton/P. du Bourguet, Les pharaons à la conquête de l'art (Paris 1965). Belangrijk illustratiemateriaal: H. Schäfer, Die Kunst Ägyptens, in H. Schäfer/W. Andrae, Die Kunst des Alten Orients (Propyläen-Kunstgeschichte 2; Berlin 1925; ³1942). K. Lange/M. Hirmer, Ägypten (München 1955; 1967). Algemene Lit. É Drioton/J. Vandier, L'Égypte (Coll. 'Clio'; Paris 1938; 1962). A. Gardiner, Egypt of the Pharaohs (Oxford 1961). - A. Erman/H. Ranke, Ägypten und ägyptisches Leben im Altertum (Tübingen 1923), vertaald door Ch. Mathien, La civilisation égyptienne (Bibl. hist. Payot; Paris 1952). H. Kees, Ägypten (in Handbuch der Altertumswissenschaft HI 1, 3, 1; München 1933). W. C. Hayes, The Scepter of Egypt, 2 dln. (New York 1953-1959). J. Pirenne, Histoire de la civilisation de l'Égypte ancienne, 3 dln. (Neuchâtel 1961-1963). W. Wolf, Kulturgeschichte des Alten Ägypten (Stuttgart 1962). F. Daumas, La civilisation de l'Égypte pharaonique (Paris 1956). - W. Helck/E. Otto, Kleines Wörterbuch der Ägyptologie (Wiesbaden 1956). J. Posener/S. Sauneron/ J. Yoyotte, Dictionnaire de la civilisation égyptienne (Paris 1959) in het duits verschenen als Knaurs Lexikon der ägyptischen Kultur (München/Zürich 1960). - E. Hornung, Einführung in die Ägyptologie. Stand, Methoden, Aufgaben (Darmstadt 1967).
Bibliografieën: Ida Pratt, Ancient Egypt. Sources of Information
in the New York Public Library. (New York 1925;
Supplement: 1941). Sinds 1947: J. Janssen, Annual Egyptological
Bibliography 1947-1962 (Leiden 1948-1964), met résumé
van elke publicatie en 1 vol. Indexes 1947-1956 (Leiden 1960);
voortzetting door M. Heerma van Voss, 1963 (Leiden 1968).
Voor de periode 1939-1947, zie J. Janssen, in JbEOL 10,
1945-1948, 244-281; Id., in Jb. dt. archäol. Inst., 6. Erg.-Heft,
1950, en W. Federn (Orientalia 17, 1948 tot 19, 1950).
Voor christelijk Egypte: Winifred Kammerer, A Coptic Bibliography
(Arm. Arbor 1950); aan te vullen met de jaarlijkse
kronieken van J. Simon, Bibliographie copte 1a, b
(1940-1948) in Orientalia (Rome), N.S. 18, 1949 tot J. Simon/
H. Queeke, Koptische Bibliographie 19 (1966) ib. 36, 1967.
[Vergote]