Romulus

Romulus (Ῥωμύλος), legendarische stichter, samen met zijn tweelingbroer Remus, en eerste koning van Rome. Volgens de in de 4e en 3e eeuw vC gecanoniseerde versie van de sage, die veel elementen van griekse oorsprong bevat, waren R. en Remus zonen van de god Mars en Rea Silvia, dochter van Aeneas' afstammeling Numitor. Deze, koning van Alba Longa, was door zijn jongere broer Amulius van de troon gestoten en omdat de usurpator zich van alle nakomelingen van Numitor wilde ontdoen; liet hij de tweeling in een mandje in de Tiber werpen. Het mandje bleef echter aan de voet van de Palatijn in de modder steken. De kinderen werden door een wolvin gered en gezoogd, totdat ze werden ontdekt door de herder Faustulus, die hen door zijn vrouw Acca Larentia liet grootbrengen. R. en Remus werden herders. Toen ze eens ruzie gekregen hadden met de herders van Amulius, werd Remus gevangen genomen en naar het koninklijk paleis gebracht.

Daar werd hij door Numitor herkend, die hem zijn afkomst onthulde. Daarop doodden de tweelingbroers Amulius en stichtten zelf een nederzetting op de Palatijn, volgens de meest gangbare traditie op 21 april 753 vC. Terwijl ze bezig waren met de omwalling, zou Remus spottend over de nog lage muur gesprongen zijn en daardoor R. zo hebben geërgerd dat deze zijn broer doodde. Volgens anderen geschiedde dit nadat de twee afgesproken hadden dat ze op grond van goddelijke voortekens zouden uitmaken wie van beiden zijn naam aan de stad zou mogen geven en haar zou besturen; Remus zou als eerste zes gieren hebben gezien, R. kort daarop twaalf en bij de daarop volgende twist over de betekenis hiervan zou R. Remus hebben gedood.

Vervolgens maakte R. om de bevolking uit te breiden, de Palatijn, die nog altijd slechts mannen herbergde, tot een asiel voor vluchtelingen. Het tekort aan vrouwen werd opgelost door de z.g. sabijnse maagdenroof: R. en de zijnen nodigden de op de nabijgelegen Quirinalis wonende Sabijnen uit op het Consualia-feest, overvielen en verjoegen de gasten en behielden hun huwbare dochters. Nadat er vrede tussen Romeinen en Sabijnen gesloten was, smolten beide nederzettingem samen en R. deelde het koningschap met de sabijnse koning Titus Tatius. Na diens dood was R. alleenheerser. Hij was intussen gehuwd met de sabijnse Hersilia.

Na een regering van bijna veertig jaar zou R. bij een onweer tijdens een troepeninspectie op mysterieuze wijze ten hemel gevaren zijn. Volgens een andere versie zou hij in werkelijkheid tijdens het noodweer door senatoren vermoord zijn; hierbij past dat R. op het Forum Romanum onder de lapis niger begraven heette te liggen. Na zijn dood genoot hij goddelijke eer; later werd hij met de god Quirinus vereenzelvigd.

Door de traditie werd aan R. de invoering toegeschreven van de eredienst van Iuppiter Stator ('die de vijand tot staan brengt') en van de feesten Lemuria, Lupercalia en Consualia, voorts de instelling van de senaat en van de broederschap der fratres Arvales, en de verdeling van de bevolking in patriciërs en plebejers, in de drie tribus Ramnes, Tities en Luceres en in dertig curiae. Diverse taferelen uit de R.-sage zijn door de beek dendè kunsten weergegeven, o.a. op de reliëfs op de achterkant van de z.g. Ara Casali (Vaticaans Museqm) en op een van de Esquilijn afkomstige geschilderde fries in het Thermenmuseum te Rome.

Bijzonder populair was het tafereel van de wolvin die de tweeling zoogt. Bij de beroemde Lupa Capitolina, die zich in het romeinse Museo dei Conservatori bevindt en vermoedelijk uit ca. 500 vC dateert, zijn de figuren van R. en Remus in de 15e eeuw toegevoegd, maar het geheel kan een indruk geven van de groepen die door antieke auteurs beschreven worden en in vele variaties op munten (reeds in 269 vC), gemmen, lampen, reliëfs en mozaïeken afgebeeld of nagevolgd zijn.

Lit. Livius 1, 4-16. Ovidius, Metamorfosen 14, 772-851. Ovidius, Fasti 2, 385-422; 4, 809-856. Plutarchus, Leven van Romulus. - A. Rosenberg (PRE 1A, 1074-1104). J. B. Carter (Roscher 4, 164-209). F. Castagnoli (EAA 4, 731v; 6, 1024). J. Carcopino, La louve du Capitole (Paris 1925). S. Accame, I re di Roma nella leggenda e nella storia (Napels 1959). R. Bloch, Les origines de Rome (Paris 1959). E. Gjerstad, Legends and Facts of Early Roman History (Lund 1962). C. J. Classen, R. in der römischen Republik (Philologus 106, 1962, 174-204). Id., Zur Herkunft der Sage vom R. und Remus (Historia 12, 1963, 447-457). G. Binder, Die Aussetzung des Königskindes. Kyros und R. (Meisenheim 1964). J. Poucet, Recherches sur la légende sabine des origines de Rome (Louvain/Kinshasa 1967). [Nuchelmans]


mythen