Tartarus

Tartarus (Τάρταρος, poëtisch meervoud Tartara, Τάρταρα). Als cosmologische vorm der verworpenheid is de T., ontstaan uit Aether en Gaia, oorspronkelijk een zelfstandig deel van de wereld, even diep verwijderd van de aarde als de hemel er hoog boven reikt, waarheen Zeus de Titanen voor eeuwig heeft uitgebannen. Afgesloten door een drievoudige murengordel met ijzeren poorten. omspoeld door de vuurstroom Pyriphlegethon, modder en afgrond van duisternis waarin de demonische monsters huisden (Erinyen, Harpyen, Keren e.d.), gold de T. naderhand ook als strafoord der mythische zondaars als Ixion, Sisyphus en Tantalus. Aldus werd vanaf ca. 500 de T. opgevat als het diepste gedeelte van de Hades, soms als angstwekkend land der doden, maar onder orfische invloed meestal als straffenhel der bozen, strikt afgezanderd van het onderwerelds Elysium der vromen. De T. had genoeg trekken met de Gehenna van het Oude Testament gemeen om in de christelijke literatuur zijn betekenis 'hel' voort te zetten.

Lit. O. Waser (Roscher 5, 121-128). K. Scherling (PRE 4A, 2440-2445). A. Dieterich, Nekyia (Leipzig ²1913 = 1969). [Sanders]

steen
De drie grote zondaars Sisyphus, Ixion en Tantalus


mythen