Chapiru, akkadische vorm van de naam voor een bevolkingsklasse, die in het 2e mill. vC op tal van plaatsen in Voor-Azië en Egypte optreedt, in egyptische teksten Apiru genoemd. Men moet op grond van de egyptische en ugaritische schrijfwijze ('pr.w; 'pr) zeer waarschijnlijk afzien van identificatie met de Hebreeën - 'ibrīm. Men treft de C. aan in Babylonië (19e eeuw vC), Nuzi (15e), Mari (18e) Klein-Azië, Alalach, Ugarit, Syrië en Palestina (15e- 13e eeuw vC), in het laatste geval met name in de El-Amarna-correspondentie. Men neigt er tegenwoordig steeds meer toe, de C. te zien als een sociale klasse van ontheemde of niet-sedentaire personen, bestaande uit deserteurs, politieke vluchtelingen, verarmden, bandieten, geïsoleerde nomaden e.d., die zich in de gebieden, liggend buiten de controle der steden en staten (volgens Rowton met name in ontoegankelijke bos- en rotsachtige streken, als Centraal-palestina, de noordelijke Libanon, het gebied tussen Ugarit en Aleppo, de bovenloop van de Chabur) aaneensloten.
Hun optreden is dikwijls van tweeërlei aard: (1) zij
verschijnen als ongeordende benden, die een gevaar
vormen voor de gevestigde bewoners, - hoewel zij
soms een nationalistische factor zijn (Amarnatijd
in Palestina) -, soms echter met vaste woongebieden
(enkele malen aangeduid als 'bapiru-veld'),
met wie men zelfs een verdrag kan sluiten (Irkabtum
van Jamlyad); als zodanig kunnen zij in het
akkadisch aangeduid worden met het ideogram
SA.GAZ, dat eigenlijk 'rover, bandiet' (babbatum)
betekent. (2) zij kunnen optreden als individuen en
groepen die uit eigen wil, ter verkrijging van grotere
sociale zekerheden, in dienst treden van de bestaande
machthebbers, en dan de rol vervullen van
huursoldaten of 'politie'. De grens tussen (1) en (2)
is uiteraard niet steeds scherp te trekken, zodat men
ze wel heeft willen brengen onder één noemer:
muitende, rondtrekkende huursoldaten, wat echter
een simplificatie is. De etymologie van het woord
bapiru is omstreden. Men heeft o.a. voorgesteld:
'ābar/ēbêrum, 'overschrijden' (d.w.z.: inbreuk maken
op de gevestigde grenzen en normen, met nadruk
in het misdadige of krijgszuchtige); 'afār/
epēru, 'stof, zand' (als scheldnaam: 'zandbewoners');
epīru, 'territorium' (d.w.z.: personen, huizend
in een berucht gebied, n.l. het boven aangeduide,
ontoegankelijke terrein) of zelfs het woord
in verband gebracht met de riviernaam Chabūr.