Maecenas


Maecenas, etruskische familienaam, die vanaf de le eeuw vC ook in Rome voorkwam. De bekendste drager van de naam was Gaius Maecenas of - met toevoeging van de familienaam van zijn moeder Gaius Cilnius Maecenas. Deze werd op 13 april tussen 74 en 70 vC in het etruskische Arretium uit een zeer aanzienlijke familie (een oud koningsgeslacht volgens de dichters) geboren en behoorde tot de ridderstand. In 42 vC nam hij aan de zijde van het driemanschap deel aan de strijd te Philippi, werd spoedig hierna de intiemste vriend en voornaamste adviseur van Octavianus en behaalde als diens diplomaat en onderhandelaar belangrijke successen: in 40 vC het politiek zo belangrijke huwelijk van Octavianus met Scribonia uit de familie van de grote politieke tegenstander van dat moment, Sextus Pompeius, in 40 en 37 vC de verdragen van Brundisium en Tarente ter bezegeling van de verzoening tussen Octavianus en Antonius. Herhaaldelijk ook trad Maecenas in Rome tijdens afwezigheid van de princeps als diens vervanger met onbeperkte volmachten op, het eerst in 36 vC tijdens de campagne tegen Sextus Pompeius en nadien o.a. tijdens of kort na de slag bij Actium in 31 vC, toen hij de samenzwering van Lepidus, een zoon van de gelijknamige triumvir, wist te ontmaskeren.

In zijn opvattingen en levenswijze toonde Maecenas zich aanhanger van de epicuristische levensbeschouwing. Hij streefde niet naar de hoogste politieke of militaire eer en was tevreden met de ordo equester, hoewel de ordo senatorius binnen zijn bereik lag. Volgens Cassius Dio (52, 14-40) pleitte hij o.m. voor matiging in de politiek. Anderzijds werden hem door de stoïcijn Seneca genotzucht, verwijfdheid en vooral wat zijn kleding betreft een neiging tot excentriciteit verweten. Van zijn grote rijkdom getuigde een prachtig paleis met parken op de Esquilinus. Zijn huwelijk met Terentia was weinig gelukkig. In zijn latere levensjaren verkoelde ook de vriendschap met de keizer aanzienlijk, o.a. als gevolg van een verhouding van deze met Terentia. Na een snel slechter wordende gezondheid stierf M. in september 8 vC, nadat hij Augustus tot zijn enige erfgenaam had benoemd. Naar aanleiding van zijn dood ontstonden van de hand van een onbekende dichter de twee Elegiae in Maecenatem, die onder meer tot doel hebben Maecenas' levenswijze te verdedigen en die samen met Vergilius' carmina minora zijn overgeleverd.

Van het literaire werk van Maecenas, proza zowel als poëzie, zijn slechts een twintigtal fragmenten en enkele titels over. Vermeld worden dialogen De cultu suo, een soort apologie van zijn eigen levensstijl, Symposium, een gesprek over de wijn, en Prometheus, vermoedelijk handelend over de broosheid van menselijke macht, een geschrift In Ocataviam, waarvan de inhoud onzeker is, en een aantal gedichten in de trant van de neoterici over themata als dood en vriendschap. Zijn stijl heeft een voorkeur voor het opvallende in woordkeus en syntaxis. Als patronus der dichters verzamelde Maecenas vanaf 40 vC een aantal jonge talenten rond zich, die hij materieel ondersteunde (zo ontving Horatius in 33 een landgoed in de sabijnse bergen en Vergilius schadevergoeding voor het verlies van zijn landgoed bij de landonteigening ten bate van de veterani in 41) en stimuleerde in hun literaire activiteit. Tot deze kring, die zich van andere soortgelijke onderscheidde door de - naar de beoefende genres te oordelen - gevarieerde samenstelling, de hoge kwaliteit der leden en een grote sympathie voor het nieuwe regime, behoorden naast Horatius, Vergilius en Propertius, van wier werk het merendeel aan M. is opgedragen, ook Varius Rufus, Plotius Tucca, Valgius Rufus en de epigrammendichter Domitius Marsus. De vaak gehuldigde opvatting dat deze dichters min of meer onder dwang van Maecenas hun poëzie in dienst stelden van de politiek van Augustus, houdt niet voldoende rekening met het karakter van M.' eigen literaire werk, zijn opvattingen over vrijheid en de onafhankelijke wijze waarop bv. Horatius zich opstelt.

De naam Maecenas is al in de oudheid tot een soortnaam geworden om beschermers van de (dicht)kunst aan te duiden.


Lit. Uitgaven der fragmenten: W. Morel, Fragmenta Poetarum Latinorum Epicorum et Lyricorum praeter Ennium et Lucilium (Leipzig 1927 Stuttgart 1963) 101-106, en R. Avallone, Mecenate, I frammenti (Salerno 1945). - Beste uitgave van de Elegiae in Maecenatem in W. V. Clausen/F. D. Goodyear/E. J. Kenney/J. A. Richmond, Appendix Vergiliana (Oxford 1966).- Stein/Kappelmacher (PRE 14, 207-229). GRL. 2, 17-21. - A. Fougnies, Mécène, ministre d'Auguste, protecteur des lettres (Bruxelles 1947). R. Avallone, Mecenate (Napels 1963; met uitgave der fragmenten). J.-M. André, Mécène. Essai de biographie spirituelle (Paris 1967; met uitgave der fragmenten). J. H. Brouwers, M. en zijn betekenis voor de Romeinse politiek en literatuur (Spiegel Historiael 8, 1973, 258-265). [Brouwers]


Keizers Rome Lijst van Namen