Diaspora (grieks = verstrooiing) is een woord, dat vooral wordt toegepast op het verspreid wonen van de joden als minderheden te midden van andere volken. Ook de oudchristelijke gemeente kende de uitdrukking in deze zin (Jo 7,35), dan van de verstrooiing der christenen (Hand 8,1,4; 11,10), maar paste deze vervolgens toe op de gelovigen die een hemels vaderland elders bezitten (Jac 1,1; 1Pt 1,1). De LXX gebruikte het woord waar in de hebreeuwse tekst sprake was van een verstoten worden (Dt 30, 4; Neh 1,9; Ps 147,2). Het wordt hier in een negatieve betekenis gebruikt (vgl. ook LXX bij Dt 28,25; Jr 34,17; Dn 12,2). Het is uit deze teksten duidelijk, dat de LXX de d. heeft opgevat als een straf.
Eerst in later tijd treedt een positieve waardering op, die we o.a. aantreffen bij Josephus: de d. biedt aan het jodendom de gelegenheid voor zending (Jos. Bell 7 ,43, vgl. daarmee Mt 23,15). Op de duur wordt het woord door de joden vermeden en maakt het plaats voor gaaluut en goolaah, woorden die voorkomen in het OT en door de LXX zijn weergegeven met αἰχμαλωσία en ἀποικία. De waardering van deze uitdrukkingen is ambivalent maar de nadruk valt toch op de schaduwzijden van het wonen in de gaaluut.
Het ontstaan van de joodse d. heeft een voorgeschiedenis, waarvan de eerste aanknopingspunten te vinden zijn in de assyrische periode. De wegvoeringen na de val van Samaria (721) hebben niet aanwijsbaar geresulteerd in een d. De 10 noordelijke stammen zijn opgegaan in de volken waarheen zij gedeporteerd werden. Nadat Esarhaddon diep in Egypte was doorgedrongen, werden hier militaire kolonies gesticht, bestaande uit vreemdelingen om invasies of opstandige bewegingen van de onderworpen bevolking tegen te gaan. Het is mogelijk dat Dt 17 ,16 zinspeelt op het leveren van soldaten naar Egypte ten tijde van Amon en Manasse. De aanwezigheid van een joodse militaire kolonie in Elephantine (= Jeb) is door een papyrusvondst met oorkonden uit de 5e eeuw vC bewezen. Men beschikte hier over een eigen tempel, wat kan wijzen op een stichting die ouder is dan de centralisatie van de eredienst onder Josia in de 7e eeuw. Een andere tempel van een dergelijke kolonie heeft gestaan in Leontopolis. Deze z.g. Oniastempel werd in 73 nC op last van Titus na joodse woelingen gesloten.
De d. in Mesopotamië is gevormd door ballingen die geen gebruik maakten van het verlof tot terugkeer dat hun door Cyrus werd gegeven. Tot hen behoorden Ezra en Nehemia, maar ook een familie Murasu, die door kleitafelgegevens uit Nippur bekend is geworden. Daarnaast werd in het gehele gebied rondom de Middellandse Zee een joodse d. gevormd als gevolg van handelsbetrekkingen, die agentschappen noodzakelijk maakten.
Ten tijde van Jezus bestaat een grote joodse d. met als middelpunten Alexandrië, Antiochië en Rome, terwijl er tal van gemeenschappen van kleinere omvang, gegroepeerd rondom een synagoge, bestonden in Mesopotamië, Klein-Azië, Griekenland, Noord-Afrika en Spanje. Over de omvang bestaan geen betrouwbare cijfers. Philo spreekt van een miljoen joden alleen in Alexandrië, maar hij zal de hele joodse bevolking van de Nijldelta en alle proselieten hebben meegeteld. De synagoge oefende een grote aantrekkingskracht op godsdienstig belangstellende groepen in de omgeving. Velen sloten zich als proselieten bij de synagoge aan en onder hen heeft de zending van de apostelen, met name die van Paulus, getuige de berichten in Hand. de grootste resultaten geboekt.
De joodse d. bewaarde de band met Jeruzalem door
pelgrimages tijdens de grote feestdagen, vooral met
pasen. Hand. 2 geeft een levendig beeld van de veelheid
der landen, die tijdens het pinksterfeest door de
pelgrims vertegenwoordigd waren. Bovendien bracht
de d. per hoofd een jaarlijkse tempelbelasting van 2
drachmen op, die na de val van Jeruzalem werd veranderd
in een 'fiscus judaicus' aan de romeinse overheid.
Men kan zeggen, dat de synagoge van het begin
af een centripetale kracht is geweest en tegelijk
na de val van de tempel het jodendom bijeenhield.
De belangrijkste bijdrage van de d. is de uitwisseling
geweest tussen de wereld van de Semieten in Azië en
de grieks-romeinse cultuur. Bemiddelaars waren de
filosoof Philo van Alexandrië, de historieschrijver
Flavius Josephus en vooral de vertalers van de LXX.
Daardoor heeft de d. ook onbedoeld de verbreiding
van het christendom bevorderd.
Lit. K. L. Schmidt (ThW 2, 98-104). Schürer 3, 1-188. A.
Causse, Les dispersés d'Israel (Paris 1929). M. A. Beek,
Relations entre Jérusalem et la diaspora égyptienne au 2e
siècle avant J.-C. (OTS 2, 1943, 119-143). F. M. Th. de
Liagre Böhl, Die Juden im Urteil der griechischen und römischen
Schriftsteller (Opera Minora, Groningen 1952, 101-133).
E. R. Goodenough, Jewish Symbols in the Greco-Roman
Period (Vol. 2, New York 1953). V. A. Tcherikover,
The Decline of the Jewish Diaspora in Egypt in the Roman
Period (Journ. Jew. St. 14, 1963, 1-32). [Beek]