Moab

Moab met NeboMoab (Heb. mō'āb), volk in het Overjordaanse, daarna ook land.

1. Het land M., Moabitis, wordt begrensd in het zuiden door de beek Zered (wādi el-hesā), in het westen door de Dode Zee, in het oosten door de steppe; in het noorden slingert de grens tussen de Arnon en de noordelijke punt van de Dode Zee. Het gebied valt uiteen in de volgende streken: a. 'ar- bōt mō'āb, het dal tegenover Jericho; b. 'as- dot, de helling van het bergland naar de Dode Zee; c. het gebergte 'abarim met de Nebo, 835 m, in het zuiden en Pisga, 710 m, in het noorden; d. s. de mō'āb, de vruchtbare hoogvlakte, vooral ten noorden van de Arnon (mīšōr). Als steden worden genoemd: de hoofdstad Kir-Chareset, het byzantijnse Charak-Moba; daarnaast Aroër, Dibon, Atarot, Medeba, Nebo, Chesbon, Elale, Jabas. De Arnon heeft een 500 m diep, 5 km breed dal met steile oevers. Hete bronnen bevinden zich in Livias aan de Dode Zee.

2. In het vroeg- en midden-Brons was het dicht bevolkt; van 1800- l300 is een hiaat te constateren, vanaf de vroege IJzertijd weer een vaste bewoning. Het OT kent als bewoners in oude tijd Emieten (Gen 14:5). De stèle van balū'a (F+ afb.) toont een pre-Moabitische inscriptie, volgens Weill in Kretenzisch Lineair B (!). Vanaf de 13e eeuw wonen Moabieten tot minstens het noordelijk einde van de Dode Zee; in Misor is er de Amoritische stadsheerschappij van Chesbon, welk gebied in Num 32:3 wordt genoemd. Nog in de periode voor de staat dringen Israëlit. clans (Ruben ? Gad ?) in de Misor binnen.

De Arnon wordt grens (Num2l, 32: 34-38, 33:45, Richt 11 :26; Mesa, krt. Israël). Naast gevestigde Moabieten en Israëlieten waren er waarschijnlijk ook Midjanitische (?) nomaden (Num 22:25, Joz 13:21, 1 Kron 1:46). Vanaf de Perz. tijd behoort M. aan de Ammonieten, daarna aan de Nabateeën.

3. De cultuur van de gevestigde bevolking was relatief hoog, het staatswezen geconsolideerd; fraai bruin gestreept aardewerk wordt reeds aangetroffen vanaf de vroege IJzertijd tot de Babylon. tijd. Rondom Chesbon werd wijn verbouwd (Jes 16:7, 10). De megalietgraven en omheiningen van gevorkte takken zijn van lang voor de Moabitische tijd.

4. Godsdienst. - Baäl werd vereerd onder de naam ba'al p. 'ōr, daarbij Kemos, benevens zijn paredra 'aštar k. mōs (Mesa). Beide zijn voorgesteld op het Eg. reliëf van de stèle van balū'a, Kemos ook op het reliëf van fuqū'a.

5. Zoals de stèle van Mesa aantoont, was het Moabitisch slechts wat betreft de uitspraak van het Bijbels Heb. onderscheiden. Door Israël werden de Moabieten als een verwant volk ervaren (Gen 19:37, Deut 2:9).

6. Van de geschiedenis is weinig bekend, vooral in het begin. De stèle van balū'a toont een koning met een knots tussen goden, waarbij niet duidelijk is, of een koning over het gehele gebied of over een deelgebied is voorgesteld. Vroeger bestond er evenals in Israël een koning over het gehele gebied. Balak (Num2vv) schijnt eerder een vorst over een deelgebied te zijn geweest. Eglon (Richt 3) doet een aanval op Jericho. Over strijd met Saul bericht 1 Sam 14:47. David maakt M. schatplichtig (2 Sam 8:2). Zijn harde optreden (vernietiging van 2/3 van het leger) wijst op een geprovoceerde oorlog. Tot Achab bleef M. vazal van Israël, door Juda van de Dode Zee gescheiden (slechts enkele malen een inval, 2 Kron 20:1vv onder Josafat). Tijdens de bedreigingen van de Arameeën rukt M. over de Arnon op naar het noorden. Na Achab valt Mesa af en rukt op tot voorbij het noorden van de Dode Zee. Jesaja kent Elale en Jahas als Moabitisch. Onder Jerobeam II was de grens weer bij de 'Zee der Vlakte'; is dit het laatste gedeelte van de Dode Zee of de Arnon? (2 Kon 14:25). Tiglatpileser III noemt Salamanu van M. als brenger van schatting, Sargon II in 713 noemt M. onder de rebellen. Hij zal het wel snel aan zich onderworpen hebben. Sanherib kent in 701 de geschenken van Kamosnadab, Esarhaddon in 673 en Assurbanipal in 668 noemen Musuri van M. In 600/599 doen Chaldeese, Syrische, Moabitische en Ammonitische troepen een aanval op Jojakim; M. is dus waarschijnlijk een vazal van Babylonië. In 586 konden Judeeërs naar M. vluchten (Jer 40:11). Volgens Jos. Ant. x, 181v heeft Nebukadnessar in 582 M. tot provincie gemaakt (samen met Idumea?). Misschien hebben daarop verschillende dreigende uitspraken van de profeten betrekking (Jes 15; 16, Jer 48, Ez 25). In Perz. tijd wordt M. gepenetreerd door Ammonieten en Arabieren en tot Arabië gerekend.

Onder de na-exilische joodse families komt een Pachat-M. voor (Ezra 2:6 tot Neh 10:15). De herkomst van deze naam is onduidelijk, eveneens wat men moet zeggen van de opmerking in 1 Kron 4:22 over Judeeërs die heersers over M. waren. Door Ptolemaeus werd M. niet bezet (Dan 11:11). In Seleucidische tijd dringen Nabateeën binnen; een oorlog van Alexander Janneüs met hen heeft ca. 90 plaatsgevonden. Herodes verkreeg Perea tot aan de Arnon (Machaerus). Vanaf 106 n.Chr. vormde M. de Rom. provincie Arabia.


Lit. bij 1: Simons 299 - Abel 1 36-41 278vv, 379vv - bij 2: N.Glueck, PEQ 71 ('39) l88-92. - bij 6: Noth. Gesch. passim - Alt, KS I, 159, 203-l5; II, 66vv - A.H. v.Zyl, The Moabites ('60) - IDB III, 409-20. [G.Molin]


Afkortingen  Kaart