Parodie (παρῳδία), reeds door Aristoteles (Poetica 1448.a.12) gebruikte term voor de komische vervorming van een ernstig literair of muzikaal werk. In de literaire p. worden vorm en stijl van het geparodieerde werk behouden, terwijl de inhoud zodanig gewijzigd wordt dat een disproportie en daardoor een lachwekkend effect ontstaat. Om een p. goed te begrijpen en volledig te genieten is gewoonlijk kennis van het geparodieerde werk of althans genre onontbeerlijk.
Bij de Grieken golden Hipponax (6e eeuw vC) en Hegemon (5e eeuw vC) als de geestelijke vaders van de p. Al vroeg werd het heldenepos geparodieerd, om. in de Margites (7e/6e eeuw vC) en de Batrachomyomachia (5e eeuw vC?); uit de werken van auteurs als Matro van Pitane en Archestratus blijkt tot welk een oppervlakkig en smakeloos spel de p. op epische poëzie in de 4e eeuw vC kon ontaarden. Het ideale domein voor de p. waren de komedie en het satyrspel; vooral Aristophanes heeft in zijn p.en van de tragedie en in het bijzonder van Euripides' drama's de rijke mogelijkheden van het procédé gedemonstreerd. Kostelijk zijn ook Plato's p.en op de stijl van bepaalde redenaars (bv. de rede van Agathon in het Symposium) en Lucianus' mythenp.en, die hun voorbeeld hadden in de Midden- en de Nieuwe Komedie; parodiërende spot is voorts kenmerkend voor de wijsgerige diatribe.
Ook de romeinse literatuur benut, hoewel minder
dan de griekse, graag het lachwekkende effect van
de p. Zo parodieert
Plautus bij herhaling typische
romeinse gebedsformules,
Lucilius in het eerste
boek van zijn satiren het oude romeinse epos,
Horatius
in het tweede boek van zijn Sermones de
stoïsche moraalprediking.
Petronius' Cena Trimalchionis
is een p. van de symposium-literatuur; in
het vervolg van Petronius' roman parodieert
Eumolpus in een epyllium (119-124) het eerste boek
van Lucanus' Pharsalia.
Lit. F. Guglielmo, La parodia nella commedia greca antica
(Catania 1928). H. Kleinknecht, Die Gebetsp. in der Antike
(Stuttgart 1937). H. Koller, Die P. (Glotta 35, 1956, 17-32).
P. Rau, Paratragodia. Untersuchung einer komischen Form
des Aristophanes (München 1967. E. Poehlmann, Haerpòia.)
(Glotta 50, 1972, 144-156). [Nuchelmans]