Exegese (in de christelijke oudheid). De Schrift-e. sloot in de oudste patristische geschriften aan bij het eerste begin van e. dat men in het NT aantrof (bv. in Hb: bewijsteksten uit het OT, los van de context, typologisch toegepast). Men verklaarde vooral het OT en wel in het perspectief van het NT. In de Barnabasbrief, waarin allegorische en typologische e. werd toegepast, is waarschijnlijk zowel alexandrijnse (Philo) als palestijnse invloed aanwezig (volgens de schrijver is het OT geen joods, maar slechts christelijk bezit). Justinus Martyr ging zowel van de letterlijke betekenis uit, al paste hij allegorische e. toe. Het is zeer goed mogelijk dat hij verzamelingen van Testimonia gebruikte (dikwijls geciteerde bewijsplaatsen uit de Schrift; Rendel Harris, Testimonies, Cambridge 1916-1920). Hij bezat een eerstehands kennis van de joodse gedachtenwereld. Marcion verwierp het OT en accepteerde slechts een deel van het NT. Hij stond een zeer letterlijke e. voor. Tertullianus stond reeds duidelijk in een exegetische traditie: hij verwerpt bv. een door anderen voorgestelde e. van een bijbelpassage in De baptismo 12,6-7. Zo spreekt Clemens van Alexandrië van de exegetische traditie van bepaalde presbyteri. Tertullianus kende rabbijnse vormen van e. Hij accentueerde het geïnspireerde karakter van de H. Schrift en de eenheid en continuïteit van de beide Testamenten. De gnostici wezen bijna alle het OT af en gaven een aan hun denkwijze aangepaste e. van het NT. Irenaeus bestreed hen en wees nadrukkelijk op de rol van traditie en kerkelijk leergezag bij Schriftverklaring.
Van Hippolytus stamt het oudste bewaarde commentaar op een bijbelboek (Dn); de oudste bewaarde latijnse commentaar is die op Openb van Victorinus van Pettau. In de alexandrijnse school groeide een allegorisch-typologische bijbelverklaring (sedert Clemens van Alexandrië). De invloed van Philo heeft hier doorgewerkt, enigermate ook invloed van de contemporaine stoïcijnse en neo-platoonse allegoriserende mythenverklaring. De typologie gaf deze e. echter een historische basis. Vooral door Origenes werd dit soort e. verder ontwikkeld. Volgens hem heeft de Schrift steeds geestelijke, maar niet steeds ook letterlijke betekenis. De sterke invloed van Origenes heeft lang nagewerkt (o.a. Eusebius van Caesarea, Athanasius, Didymus de Blinde, Gregorius van Nyssa). Hij wekte echter ook veel tegenstand. Sommigen probeerden de letterlijke e. met de allegorische verklaring te verbinden.
In Antiochië ontwikkelde zich een anders gerichte e., waarbij de nadruk op de historische en de letterlijke betekenis van de tekst gelegd werd (o.a. Lucianus van Antiochië, Diodorus van Tarsus, Theodorus van Mopsueste, Johannes Chrysostomus).
Opvallend is dat in polemieken een exegeet
dikwijls een methode blijkt toe te passen die
hij van zijn tegenstander niet wil accepteren.
De invloed van de griekse theologie en e. is in het
Westen groot geweest. Zo is
Ambrosius in zijn commentaren
zeer sterk van Origenes
afhankelijk. Hieronymus
volgde aanvankelijk de allegorische e. van
Origenes, maar verkoos later de letterlijke e. als
uitgangspunt, om hierop de geestelijke e. te kunnen
bouwen (Epistula 53,8). Augustinus zocht in de
Schrift de diepere geestelijke zin en volgde gewoonlijk
de allegorische methode. In De doctrina christiana
wijst hij op de geloofsregel van de kerk als
norm voor de uitlegging. Een van de weinige vertegenwoordigers
van de antiocheense richting in het
Westen is Julianus van Eclanum geweest. Gregorius
de Grote (Epistula 5,53) ging uit van de historische
e. om daarop de typologische verklaring en de morele
toepassing te laten volgen.
Lit. P. Heinisch, Der Einfluss Philos auf die älteste christliche
Exegese (ATliche Abh. 1-2, Münster 1908). K. Gronau,
Poseidonius und die jüdisch-christliche Genesis-Exegese (Leipzig
1914). H. R. Nelz, Die theologischen Schulen der morgenIändischen
Kirchen (Bonn 1916). G. Zimmermann, Die hermeneutischen
Prinzipien Tertullians (Würzburg 1937). W.
Laistner, Antiochene Exegesis in Western Europe during the
Middle Ages (HThR 40, 1947, 19-31). H. de Lubac, 'Typologie'
et 'Allégorisme' (RScR 34, 1947, 180-226). W. den Boer,
Hermeneutic Problems in Early Christian Literature (VC 1,
1947, 150-167). J. Guillet, Les exégèses d'Alexandrie et d'Antioche.
Conflit ou malentendu? (RScR 34, 1947, 257-302). J.
Daniélou, Les divers sens de l'Écriture dans la tradition chrétienne
primitive (EThL 24, 1948, 118-126). G. Bardy, Exégèse
patristique (DBS 4, 569-591). H. de Lubac, Histoire et Esprit.
L'intelligence de l'Écriture d'après Origène (Paris 1950). J:
Daniélou, Sacramentum futuri. Études sur les origines de la
typologie biblique (ib. 1950). R. P. C. Hanson, Allegory and
Event (London 1959). H. de Lubac, A propos de Pallégorie
chrétienne (RScR 47, 1959, 5-43). Id., Exégèse médiévale 1
(Paris 1959) 171-219. W. Shotwell, The Biblical Exegesis of
Justin Martyr (London 1965). Th. O'Malley, Tertullian and
the Bible. Language - Imagery - Exegesis (Nijmegen 1967).
[Bartelink]