Mesopotamië (II) Staatsbestel en sociale structuur

M. was vóór de hier als grens aangenomen opkomst van het perzische rijk slechts gedurende relatief korte perioden één staat. De voortdurende inspanning nodig voor het handhaven van de kortstondige politieke eenheid wijst reeds op het onnatuurlijke van die eenheid. Er is een doorlopende spanning tussen de belangen van de diverse landsdelen, geconcentreerd rond een aantal belangrijke stedelijke centra, waarbij in het zuiden irrigatiekwesties een grote rol spelen, met als complicatie het binnendringen van vaak nog lange tijd als aparte entiteit te herkennen groepen stammen, meest van semitische origine en afkomstig uit het westen (Akkadiërs, Amorieten, Arameeërs, Chaldeeërs, enz.) maar ook uit het oosten (Guti, Kassieten). Het historische beeld is nogal eenzijdig omdat al onze geschreven gegevens afkomstig zijn uit de stedelijke wereld. De geschiedkundige gegevens zijn ook qua tijd zeer ongelijk verdeeld.

Reeds vanaf de Uruk-periode zijn er duidelijke aanwijzingen voor een sociale stratificatie met een vorst aan het hoofd in Zuid-M. O.a. de afbeeldingen op rolzegels confronteren ons met een als leider gekenmerkte figuur; vanaf de laatste vroeg-dynastieke periode stellen de wijinscripties van de vorsten ons in staat een reeks van locale vorsten te identificeren in een aantal belangrijke politieke centra, die niet allen voorkomen in de sumerische koningslijst - een document dat uitgaat van een theoretische eenheidsstaat die heel M. ten zuiden van ongeveer het huidige Baghdad omvat - : Ur, Uruk en Lagas, steeds in strijd gewikkeld met het noordelijk aansluitende Umma, die nog tot aan de Ur III-periode een soort onderling evenwicht in zuidelijk M. bewaarden. Veel minder is er bekend van een reeks noordelijke dynastieën uit Kis, welke stad vermoedelijk nog voor de ED III-periode, uit welke onze eerste bruikbare gegevens stammen, het centrum van een belangrijk rijk was, zodat 'koning van Kis één van de belangrijke suprematie-titels uit de geschiedenis van M. werd. Een zekere tegenstelling tussen noord en zuid in zuidelijk M. wordt vanaf de Akkad-periode belichaarnd door de aanduiding Sumer en Akkad voor dit gebied.

Zeer moeilijk te schatten is de betekenis voor de tijd vóór Ur III van een amphictyonie van steden van noordelijk Zuid-M. rond de cultusstad van de god Enlil, Nippur. Er is geen aanwijzing dat Nippur ooit in de oude tijd een grote politieke rol speelde; toch kan het feit dat Enlil praktisch aan het hoofd van het mesopotamische pantheon stond misschien wijzen op een vroege politieke rol. Nog noordelijker was Mari in het Eufraatgebied al in vroeg-dynastieke tijd een belangrijke staat, terwijl wij over het latere Assyrië, met aangrenzende gebieden tot in de oudbabylonische tijd Subartu genoemd, weinig weten.

Locale schriftelijke gegevens zijn er niet vóór de Akkad-tijd. Sterke culturele beïnvloeding vanuit het zuiden is vanaf de vroeg-dynastieke tijd zeker. Nog noordelijker kunnen wij een reeks hurritische staatjes aannemen.

Over de inrichting van de vroege locale monarchieën zijn wij het best ingelicht te Lagas, waarbij echter voor een al te theocratische interpretatie, die de vorst - als een soort van priester - de beheerder van een gehele staat omvattend goddelijk domein maakt, van de nogal eenzijdig overgeleverde gegevens gewaakt moet worden. Met de dynastie van Akkad lijkt er een nieuw type staat te ontstaan, waarin de koning personen uit zijn directe omgeving aanstelt als hoofden van de diverse locale eenheden, waardoor het nieuwe eenheidsrijk een krachtiger structuur krijgt. Ook de schepping van een soort staand leger wordt met nadruk genoemd. Het rijk van Ur III was op vergelijkbare wijze georganiseerd, doch had vermoedelijk een krachtiger ambtelijk kader. Bij dit soort centrale monarchieën nam de greep van het centrum op de vazallen in de randgebieden gemakkelijk af bij zwakke regeerders of troonsopvolgingsmoeilijkheden. De aspiraties van de koningen van Ur III blijven ook voor de vorsten van Isin en Larsa gelden, zij hebben echter geen greep meer op randgebieden als Mari, Assur, Esnunna en Elam.

De vroege oudbabylonische tijd toont de werking van elkaar in evenwicht houdende coalities van locale vorstjes onder leiding van enige rijken van meer betekenis, uiteindelijk uitlopend op Hammurapi's overwinning, die echter al onder zijn opvolger Samsuiluna ongedaan gemaakt wordt. Het tijdvak is van belang wegens de aanduidingen die er zijn van de toegenomen betekenis van de zich op het platteland vastzettende stammen, een verschijnsel nog beter bekend uit de kudurru's uit de tijd van de laatste kassitische koningen en de 2e dynastie van Isin.

Over de ontwikkeling van de assyrische monarchie is opvallend weinig bekend. Vóór Assuruballit I is Assyrië niet werkelijk een grote mogendheid in mesopotamische zin, behalve onder de vreemde veroveraar Samsiadad I. Het verloop van de assyrische geschiedenis toont dat expansie en verval eng verbonden waren met de persoon van de vorst. Vermoedelijk was het voor een assyrische koning, indien hij zijn gezag over de rijksgroten had gevestigd, gemakkelijk de sociale structuur van noordelijk M. als machtsapparaat te benutten. De dorpen waren waarschijnlijk soms gedeeld, soms ongedeeld bezit van een groep aanzienlijken, die ook de belangrijke staatsambten vervulden. De landbouwende bevolking had in dit kwetsbare gebied belang bij een sterk gezag. Bij veroveringen van nieuwe gebieden kon deze structuur, die vermoedelijk het ontstaan van grote gesloten adellijke bezittingen voorkwam, gemakkelijk worden toegepast, hetzij door opname van locale aanzienlijken in de sociale bovenlaag, hetzij door vervanging van die bovenlaag door Assyriërs. Het totale verspreide bezit van een aanzienlijke kon van de koning belastingvoorrechten verkrijgen. Ook instellingen als tempels konden eigenaar van uitgestrekte doch verspreide bezittingen zijn. De rijksgroten hadden een direct belang bij de expansie en handhaving van het assyrische rijk. Verdeelde loyaliteit bij meer dan één candidaat voor de troon maakte het systeem echter kwetsbaar. In hoeverre bij de assyrische expansie ook het verlangen de handelswegen te beheersen een rol speelde valt moeilijk te schatten.

Babylonië was vooral na de 2e dynastie van Isin verscheurd door de tegenstrijdige belangen van de grote steden in het noorden en de chaldese stammen in het zuiden. Vooral deze laatste hielden een voortdurende strijd tegen de Assyriërs gaande, doch waren op den duur niet in staat de zelfstandigheid van M. te handhaven.

Behalve de wel niet formeel gesloten aristocratie, in het zuiden vermoedelijk vooral gebaseerd op aanhang bij de half-nomadische stammen, in het noorden op grondbezit, bestond er ook in de grote steden, vooral in Noord-Babylonië, een klasse van aanzienlijke burgers met een speciale status, ontleend aan de bijzondere juridische positie van die steden. Rechten ontleend aan het bezit van tempelambten, al dan niet met priesterlijke status, maakten de aanzienlijke families van de noordbabylonische steden tijdens het assyrische imperium een macht van betekenis. De mate waarin een dergelijke macht tot uiting kon komen hing echter vooral af van de persoon van de landsheer. Een krachtig vorst beheerste de priesterlijke colleges over het algemeen.

In Assyrië waren de grote koningsresidenties als Kalhu, Dursarrukin en Ninive, na de uitbouw door Sanherib, kunstmatige stichtingen, afhankelijk van de koninklijke administratie. Andere stedelijke centra in het noorden ontstonden waarschijnlijk vooral rond een belangrijk heiligdom.


Terug Register