Elegie

Elegie (ἐλεγεῖον of ἐλεγεῖα), in de oudheid een in disticha geschreven gedicht van niet te grote omvang dat oorspronkelijk met fluitbegeleiding gezongen schijnt te zijn, later voorgedragen werd en waarvan de inhoud zeer gevarieerd kon zijn, maar vrijwel steeds een persoonlijke stemming tot uitgangspunt nam: klaagliederen (waarschijnlijk de oudste functie) en grafschriften, wijinscripties, drinken liefdesliederen, opwekkingen tot moed in de strijd en tot vaderlandsliefde, ethische ontboezemingen en raadgevingen. Vrijwel elk onderwerp leende zich tot behandeling in een e.

(I) De oorsprong van de e. ligt in Klein-Azië, waar de Ioniërs haar misschien van de Phrygiërs of Lydiërs overgenomen hebben; de oudste ons bekende griekse specimina dateren uit ca. 700 vC. De bekendste griekse elegieëndichters uit de archaïsche tijd zijn Callinus, Tyrtaeus, Mimnermus, Solon, Theognis, Phocylides, Asius, Simonides, Anacreon en Xenophanes. In de 5e eeuw schijnt de e. vooral voor lofdichten gebruikt te zijn. Ca. 400 vC gaf Antimachus van Colophon de ontwikkeling van het genre een nieuwe impuls; door zijn Lyde, een verzameling van ongelukkige liefdesgeschiedenissen uit de mythologie, werd hij de schepper van de verhalende erotische e., een genre dat in de hellenistische tijd, die een afkeer had van lange gedichten, grote opgang heeft gemaakt: Callimachus, Philitas, Hermesianax, Eratosthenes, Alexander de Aetoliër. In de keizertijd werden weinig griekse e.ën geschreven; het epigram genoot de voorkeur. De taal van de griekse e. is die van het oude epos, maar vertoont meer zuiver-ionische vormen.

Het literaire epigram, sinds het midden van de 6e eeuw vC vrijwel steeds in disticha gesteld en dikwijls tot de omvang van één distichon beperkt, kan als een korte, op één gedachte toegespitste e. beschouwd worden.

(II) Ondanks alle aanwijsbare griekse invloeden in vorm en thematiek moet de typische romeinse subjectieve liefdeselegie, waarin de dichter uiting geeft aan zijn persoonlijke gevoelens van liefde, als een schepping van de Romeinen beschouwd worden; voor zover bekend, gebruikten de griekse elegische dichters hun eigen liefdegevoelens slechts als aanleiding voor de behandeling van liefdesgeschiedenissen. Als schepper van de romeinse e. - het distichon was al eerder door Ennius, Lucilius en Lutatius Catulus gehanteerd en de neoterici hadden al e.ën naar hellenistisch voorbeeld gedicht - gold reeds in de oudheid Gaius Cornelius Gallus, van wiens werk helaas vrijwel niets bewaard is. In zijn spoor en in dat van Catullus traden Tibullus, Propertius, Ovidius en Sulpicia, die het genre op meesterlijke wijze gedifferentieerd en vervolmaakt hebben. Met Ovidius' dood eindigde de bloeiperiode van de romeinse e. In later eeuwen is dit hoogtepunt nooit geëvenaard; pas bij de laat-romeinse heidense dichters Claudianus, Ausonius en Rutilius Namatianus treffen we weer enkele fraaie specimina aan. Dit is zelden het geval bij de christelijke dichters die de e.vorm hanteerden, zoals Sedulius, Orientius, Ennodius, Boëthius en Dracontius.

(III) In de latere europese literatuur wordt de term e. uitsluitend gebruikt voor een klagend of weemoedig gedicht van bespiegelende aard, dat bovendien niet in disticha geschreven behoeft te zijn.


Lit. O. Crusius (PRE 5, 2260-2307). L. Alfonsi/W. Schmid (RAC 4, 1026-1061). - K. Witte, Die Geschichte der römischen E. (Erlangen 1924). E. Römisch, Studien zur älteren griechischen E. (Diss. Heidelberg 1935). C. Bowra, Early Greek Elegists (Cambridge Mass. 1938). A. Day, The Origins of the Latin Love-Elegy (Oxford 1938). A. Rostagni, L'influenza greca sulle origini dell' elegia erotica latina (Entretiens sur l'antiquité classique 2, Genève 1956). G. Luck, Latin love Elegy (London 1959). Id., Die römische Liebeselegie (Heidelberg 1961). [Nuchelmans]


Lijst van Auteurs