Argonauten

Argonauten (Ἀργοναῦται), verzamelnaam voor de griekse helden die op het schip Argo met de thessalische held Iason meetrokken om in Colchis aan de Zwarte Zee bij koning Aeëtes het door een draak bewaakte gulden vlies te bemachtigen. Het gulden vlies was de gouden vacht van de ram die de twee kinderen van Athamas en Nephele, Phrixus en Helle, in veiligheid gebracht had, toen hun stiefmoeder Ino hun naar het leven stond. Na hun aankomst in Colchis had Phrixus de ram aan Zeus geofferd en de vacht aan Aeëtes gegeven. Deze wijdde het kostbare vlies, dat volgens het orakel het land dat het bezat gelukkig zou maken, aan Ares en liet het gespijkerd aan een eik door een draak bewaken.

De held Iason had van zijn oom Pelias, die zich wederrechtelijk van de koningsmacht over Iolcus in het zuidoosten van Thessalië meester had gemaakt, de opdracht gekregen het vlies terug te halen. Als de expeditie lukte, zou Iason de hem toekomende koningsmacht over Iolcus terugkrijgen. Iason liet een groot schip bouwen door Argus een groot schip bouwen, de Argo. Tegen de voltooiïng van het schip liet Iason door boden uit de verschillende streken van Griekenland helden oproepen om als opvarenden van de Argo, de Snelle, zoals het schip gedoopt werd, aan de expeditie deel te nemen. Van alle kanten verzamelden zich de helden in Pagasae, waar het schip te water zou worden gelaten.

vaas
De Argonauten. Roodfigurige krater van de Niobidenschilder, 450 vC
De namen en het aantal der A. verschillen bij de auteurs die ons de sage overleveren. Meestal wordt het aantal op vijftig gesteld, evenveel als er riemen op het schip waren. De A. die in onze voornaamste bronnen - Apollonius Rhodius en Apollodorus voorkomen en die een actieve rol spelen waren, naast Iason, Argus, de bouwer van het schip; Tiphys, de stuurman, die zijn kunst van Athene geleerd had; de zieners Idmon en Amphiaraüs; Orpheus, de thracische zanger, die zowel de maat voor de roeiers aangaf als op de terugreis de aandacht der A. van het verderfelijke gezang der Sirenen moest afleiden; tweede stuurman, die na de dood van Tiphys het roer overnam, was Erginus, een zoon van Poseidon; maar ook Anceus, zoon van Lycurgus, wordt in deze functie genoemd; verder waren aan boord de tweelingszonen van Boreas en Orithyia, Zetes en Calaïs; de onsterfelijke zonen van Zeus en Leda, Castor en Polydeuces, en hun neven Idas en Lynceus, welke laatste zo scherp zag dat hij door een eikenhouten plank kon kijken. De heraut van de A. was Aethalides, een zoon van Hermes; een klein gedeelte van de tocht werd ook meegemaakt door Heracles, Hylas en een zekere Polyphemus. De overige in de catalogen genoemde helden zijn slechts figuranten en vervullen geen duidelijk omschreven taak in de expeditie. Tot hen horen de vaders van de helden die tegen Troje optrokken, zoals Tydeus en Telamon, of de helden die deelnamen aan de Calydonische jacht, onder wie zelfs de jageres Atalante naast Meleager genoemd wordt.

Vanuit Pagasae koos de Argo onder gunstige voortekenen zee. Eerst voer men naar het eiland Lemnus, waar de helden geruime tijd bleven; de vrouwen van Lemnus hadden allen hun mannen vermoord en de A. waren graag geziene gasten.

Van Lemnus voeren de A. via Samothrace, waar zij zich in de mysteriën lieten inwijden, naar het eilandje Cyzicus in de Propontis. Hier woonden de Dolionen, die met hun koning Cyzicus de helden een hartelijke ontvangst bereidden. Toen de A. vertrokken waren, werden zij door een storm overvallen en naar het eiland teruggedreven. De Dolionen, die door de duistere stormnacht de A. niet herkenden, zagen hen voor zeerovers aan. In de strijd die volgde werd Cyzicus gedood. Pas bij het aanbreken van de dag bemerkte men zijn vergissing. Iason organiseerde grote lijkspelen bij de begrafenis van Cyzicus; diens jonge vrouw Clite maakte een eind aan haar leven; de nimfen beweenden haar zo dat uit haar tranen de bron Clite ontstond.

Van Cyzicus voer men naar Cius in Mysië. Hier verliet Heracles de expeditie. Hij was aan land gegaan om hout te zoeken voor een nieuwe roeiriem.

Ook Hylas ging van boord om water te halen, maar hij werd door de nimfen, die verrukt waren over zijn schoonheid, in de bron getrokken. Zijn angstgeroep werd door Polyphemus, een der A., gehoord. Heracles en Polyphemus zochten de hele nacht vergeefs naar hun mabrker. Bij het vertrek van de Argo in de vroege morgen waren zij niet aanwezig, zodat het schip zonder hen verder voer, overeenkomstig een orakel dat gezegd had dat beide helden niet aan de tocht van de Argo zouden deelnemen. Polyphemus stichtte de stad Cius op het gelijknamige eiland en Heracles wijdde zich verder aan zijn grote taken.

Bij Amycus, de koning der Bebryces in Bithynië, vonden de A. een minder gunstig onthaal. Amycus, een zoon van Poseidon en de nimf Meiia, daagde een der helden uit tot een bokswedstrijd. Polydeuces aanvaardde de strijd en sloeg Amycus neer. De Bebryces vielen toen de A. aan, maar dezen joegen hen op de vlucht.

Zetes achtervolgt de Harpijen (Schaal uit ca. 530 vC, M.von Wagner Museum, Würzburg)
De volgende rustplaats was Salmydessus ten noordwesten van de Bosporus. Hier troffen de helden de ziener Phineus. Deze hadden de goden blind gemaakt en daaraan nog de straf toegevoegd dat hij dagelijks gekweld zou worden door de Harpijen, gevleugelde vrouwen. Bij iedere maaltijd van Phineus kwamen dezen aanzetten, roofden het eten of bevuilden het. De twee zonen van Boreas, Zetes en Calaïs, die ook gevleugeld waren, joegen de Harpijen achterna, tot zij bij de Strophaden ten zuiden van Zacynthus van de goden het bevel kregen om terug te keren. De Boreaden gaven gehoor aan dit bevel op voonvaarde dat de Harpijen Phineus voortaan met rust zouden laten. Uit dank voor deze hulp gaf Phineus de A. aanwijzingen voor de verdere tocht en vertelde hun hoe zij de gevaarlijke Symplegaden konden passeren, bewegende rotsen die open en dicht gingen en elk schip dat er tussendoor wilde varen verpietterden. Phineus gaf de helden de raad er eerst een duif doorheen te laten vliegen; kwam deze snelle vogel erdoor, dan konden de A. het ook wagen. Het lukte de duif inderdaad tussen de rotsen door te vliegen, zij het met verlies van enkeie staartveren. Ook de A. kwamen er met een kleine beschadiging aan de achtersteven door. Ze waren nu in het gebied van de Zwarte Zee. Na deze doortocht stonden de Symplegaden voor goed onbeweeglijk. Vervolgens bereikten de A. het land der Mariandynen. Daar werd bij een jachtpartij de ziener Idmon door een everzwijn gedood. Ook de stuurman Tiphys stierf hier; zijn plaats werd ingenomen door Anceus of Erginus.

Nog eenmaal vond een tussenlanding plaats, op het eiland van Ares, waar de A. de stymphalische vogels, die hierheen gevlucht waren voor Heracles, verschrikten door op hun schilden te slaan. Ook troffen zij hier de zonen van Phrixus en de colchische prinses Chalciope; deze mannen waren hier beland toen zij op weg naar hun vaderland schipbreuk geleden hadden. Zij sloten zich nu bij de Grieken aan. Van het eiland van Ares voer men langs de monding van de rivier de Thermodon en de Caucasus en bereikte Colchis aan de rivier Phasis. Hier regeerde Aeëtes, zoon van Helius en broer van de tovenares Circe.

Na zijn landing vroeg Iason Aeëtes toestemming het gulden vlies te mogen meenemen. Aeëtes weigerde dit niet openlijk, maar eiste dat Iason eerst een stuk land zou beploegen met twee bronzen stieren die hij van Hephaestus gekregen had. Deze dieren hadden nog nooit een juk gedragen en ademden vuur uit. Na het ploegen moest Iason draketanden zaaien die nog stamden van de draak van Thebe (Cadmus). Met de reuzen die uit dit zaaisel zouden ontstaan, moest Iason strijden. Alleen zou hij deze taken nooit volbracht hebben. Maar de godin Aphrodite had met behulp van haar zoon Eros Aeëtes' dochter Medea op Iason verliefd doen worden. Medea liet Iason beloven haar te trouwen en naar Griekenland mee te nemen als zij hem hielp het vlies te bemachtigen, en gaf hem een toverbalsem die hem onkwetsbaar zou maken voor het brons en het vuur van de stieren. Tevens gaf zij hem de raad de reuzen tegen elkaar op te hitsen door een steen in hun midden te werpen. In de daardoor ontstane verwarring zou hij hen kunnen doden. Iason volgde de raad op, smeerde zich in en volbracht de hem opgeiegde taken. Aeëtes wilde echter het vlies niet geven en smeedde het plan om de Argo in brand te steken. Om dit te verijdelen bewoog Medea de helden in de nacht te vluchten, nadat zij en Iason zich van het vlies meester hadden kunnen maken doordat Medea met haar tovermiddelen de draak die het vlies bewaakte in slaap had doen vallen. Met de A. ging Medea aan boord, terwijl zij haar broertje Apsyrtus meenam. Aeëtes bemerkte de vlucht en zette, eveneens per schip, de A. achterna. Om hem te vertragen doodde Medea Apsyrtus en wierp zijn ledematen bij tussenpozen in zee. Aeëtes verloor kostbare tijd door de ledematen bijeen te garen en kon de Argo niet meer inhalen. In verschillende richtingen zond hij nu gewapende mannen uit met de opdracht Medea levend naar Colchis terug te brengen. Zelf begaf hij zich naar Tomi (τόμοι = stukken), waar hij de resten van Apsyrtus begroef. Een andere lezing van de dood van Apsyrtus is dat hij, door zijn vader ter achtervolging van de A. uitgestuurd, door Iason in de tempel van Artemis bij de monding van de Ister (Donau) gedood werd. De A. vervolgden hun tocht over de Ister tot aan de Adriatische Zee. Daar vertelde de met stem begiftigde boeg dat Zeus, vertoornd over de dood van Apsyrtus, hen opdroeg zich te laten reinigen door Circe. Daartoe voeren zij over de mythische Eridanus en rond Sardinië naar het eiland Aea. Hier reinigde Circe Iason, maar weigerde hem te ontvangen. Bij het passeren van de Sirenen zong Orpheus zo mooi dat niemand naar het fatale gezang der Sirenen wilde luisteren. Alleen Butes sprong over boord om naar de kust te zwemmen, maar Aphrodite redde hem. Thetis, die in opdracht van Hera de tocht leidde, loodste de helden ook veilig langs de Plancten, een doublet van de Symplegaden, en bracht hen veilig tussen Scylla en Charybdis door. Daarna kwamen zij op Corcyra bij Alcinoüs en Arete, koning en koningin der Phaeaken. Hier troffen zij een groep Colchiërs die door Aeëtes ter achtervolging waren uitgestuurd. Ze eisten de uitlevering van Medea. Arete raadde haar man Medea terug te geven als deze nog maagd was, zo niet, haar met Iason verder te laten trekken. Ondertussen liet Arete aan Medea de voorwaarde voor een vrije aftocht weten, waarna Iason zorgde dat eraan voldaan werd. De Colchiërs, die niet naar Aeëtes durfden terugkeren, bleven bij de Phaeaken.

De A. strandden nu in Noord-Afrika op de kust van Libië. Zij moesten hun schip dragen tot het Tritonmeer. Daar ontmoetten zij de god Triton, die aan Euphemus een kluit aarde gaf. Het was een onderpand dat zijn afstammelingen over het land zouden heersen. De kluit aarde viel in zee; er groeide het eiland Thera uit. Dit werd gekoloniseerd door Theras, een afstammeling van Euphemus. Nog later werd van Thera uit een kolonie naar Cyrene in Libië gezonden.

Met behulp van Triton bereikten de A. weer de zee. Zij voeren naar Kreta, dat door de bronzen reus Talus bewaakt werd. Deze was door Hephaestus geconstrueerd en door koning Minos als bewaker van zijn rijk aangesteld. Driemaal per dag patrouilleerde hij over het eiland. Ieder die gevangen werd, doodde Talus door hem tegen zich aan te drukken of in het vuur te werpen. Zelf was hij onkwetsbaar met uitzondering van een ader in zijn been, die door een pin of een vliesje afgesloten was. Medea bracht Talus in trance, waarin hij de pin losrukte c.q. het vliesje verbrak. Na zijn dood landden de A. op Kreta en richtten op de kust een tempel ter ere van Athene op. Tussen Kreta en Iolcus werden ze door een mysterieuze nacht overvallen. Iason bad tot Apollo, die door een vuurgloed een klein eiland zichtbaar maakte, waar de A., daar zij geen offerdieren bij zich hadden, een wijnoffer aan Apollo brachten, dat met veel grappen gepaard ging.

Tenslotte kwamen de A. te Iolcus aan, vanwaar zij zich weer over heel Griekenland verspreidden. Omdat Medea met haar toverkunsten Pelias gedood had, toen deze zijn afspraak over de teruggave van de macht aan Iason niet nakwam, moesten Iason en Medea vluchten. Op de Argo bereikten zij Corinthe, waar Iason het schip aan Poseidon toewijdde. Over de terugkeer van de A. bestaan nog andere versies. Volgens sommigen zouden ze in de Oceanus en vandaar op de Middellandse Zee terecht zijn gekomen en tenslotte zonder veel verdere omzwervingen in Thessalië zijn teruggekeerd; volgens anderen bereikten ze via de Ister en de Rijn de Noordzee en de Britse eilanden en voeren ze langs de kusten van Gallië en Spanje huiswaarts.

De A.-sage, waarvan de kern reeds aan Homerus bekend was, genoot in de Oudheid grote populariteit. Zij groeide in de loop der eeuwen uit tot een omvangrijke en bonte cyclus, waaraan, zo goed en zo kwaad als het ging, steeds meer plaatselijke overleveringen werden vastgemaakt. Dichters ontleenden aan dit complex graag hun onderwerpen voor dramatische en andere poëzie. Ook de beeldende kunstenaars van de Oudheid lieten zich veelvuldig door episoden uit de sage van de A. inspireren; het bekendst is de reeks van afbeeldingen die voorkomt op een bronzen doos in het Museo di Villa Giulia te Rome, de zg. Cista Ficoroni uit het eind van de 4e eeuw vC. Ook in de moderne tijd levert de sage nog voortdurend stof voor drama's (bv. Corneille, La toison d'or, 1660; Grillparzer, Die Argonauten, 1820), epen, romans (bv. R. Graves, The Golden Fleece, 1944), opera's (G. Mahler, ca. 1879) en schilderijen.

Lit. Voornaamste antieke bronnen: Pindarus, pythische ode 4; Apollonius van Rhodus, Argonautica; Apollodorus, Bibliotheca 1, 9, 16-26; de latijnse Argonautica van Valerius Flaccus en de zg. orphische Argonautica. - O. Jessen (PRE 2, 743-785). K. Seeliger (Roscher 1, 503-537). P. E. Arias (EAA 1, 627-630). - K. Meuli, Odyssee und Argonautika (Berlin 1921). J. R. Bacon, The Voyage of the Argonauts (London 1925). E. Delage, La géographie dans les Argonautiques d'Apollonios de Rhodes (Paris-liordeaux 1930). L. Radermacher, Mythos und Sage bei den Griechen² (Wien 1942) 154-237. R. Roux, Le problème des Argonautes (Paris 1949). - E. Feihl, Die ficoronische Cista und Polygnot (Tübingen 1913). [Suys-Reitsma]


mythen