Italië (latijn Italia; gr. Ἰταλία). De naam gaat volgens vrij algemene opvatting via een griekse tussenvorm terug op een oud-italisch woord voor kalf (oskisch vileliu, latijn vitellus) en zou dus 'kalverenland' betekenen. Een afleiding van de naam van de stamheros Italos of van Ἰταλοί, een bij het Ver Sacrum betrokken groep jongemannen met een stier als totem, is met deze herkomst geenszins in strijd. Een siculische of etruskische oorsprong van het woord is echter ook wel eens verondersteld. Naast I. wordt het land bij dichters ook Ausonia, Hesperia en Oenotria genoemd.
De naam I. was oorspronkelijk beperkt tot de zuidpunt
van het latere Bruttium, maar breidde zich
steeds meer uit, zodat hij tegen 300 vC het gehele
zuiden met inbegrip van Campanië dekte. Toen
Rome na de nederlaag van Pyrrhus (275 vC) en de
val van Tarente
geheel Zuid-Italië onder zijn macht
had gebracht, nam het de naam I. over. Na de punische
oorlogen (200 vC) duidde hij het gehele
schiereiland aan. Maatregelen van
Caesar en
Augustus
leidden tenslotte ertoe dat ook Gallia Cisalpina
tot I. ging behoren.
Lit. Algemeen: H. Nissen, Italische Landeskunde 1-2 (Berlin
1883-1902). H. Philipp, Italia (PRE Suppl. 3, 1918, 1246-1293).
D. Randall-MacIver, Italy Before the Romans (Oxford
1928). - F. Klingner, Italien. Name, Begriff und Idee im
Altertum, Die Antike 17, 1941, 89-104). F. Rauhut, Italia
(Würzburger Jahrbücher für die Altertumswissenschaft 1,
1946, 133-152). K. Olzscha, Der Name Italia und Etruskisch
Ital (Studi Etruschi 10, 1936, 263-275).
(I) Geologische bouw. I. strekt zich als een gigantische
geografische laars, die als het ware met zijn
omgeslagen rand ingeklemd zit in het europese
vasteland, over een afstand van meer dan 1200 km
vanaf het Alpengebied in zuidoostelijke richting uit
tot ver in het midden van de Middellandse Zee, waar
het in Sicilië
nog een voortzetting vindt. Doordat
de breedte van het schiereiland varieert van 150 tot
300 km is meer dan 80% van zijn gebied minder
dan 100 km van de zee verwijderd; de totale kustlengte
bedraagt ca. 8000 km, het landoppervlak ruim
300.000 km2. Van west via zuid naar oost wordt het
ingesloten door de Ligurische, Tyrrheense, Ionische
en Adriatische Zee.
Door de grotere openheid van
de westkust is het 'gezicht' van I. op de Tyrrheense
Zee gericht, die door de eilanden Corsica en
Sardinië wordt afgesloten.
De noordelijke omlijsting vormen de Alpen, waar
gesteenten uit het carboon (300-240 miljoen jaar
oud) niet zeldzaam zijn. De in de krijttijd ingezette
plooiing van voornamelijk uit kalk bestaande gebergten
en de daarmee gepaard gaande verzakkingen
zetten zich in het tertiair voort. Het kwartair voegde
hieraan nog morenen en alluviaal puin toe.
De vruchtbare Po-vlakte, oorspronkelijk een zeearm die door Alpenpuin werd opgevuld, scheidt de Alpen van de Apennijnen. Deze beginnen bij de Ligurische Alpen ten noorden van Genua, steken het schiereiland over in de richting van de Adriatische Zee en lopen dan als een soort ruggegraat door geheel I. tot in Bruttium toe, waarna zij zich op Sicilië en in het afrikaanse Atlas-gebergte voortzetten. Ook de Apennijnen, die vooral uit zand- en kalkgesteenten bestaan, zijn hoofdzakelijk tertiair plooiingsgebied, dat naderhand door aardbevingen, breukvorming, vulkanisme en erosie nog wijzigingen onderging. Evenals in de Alpen slepen ook hier rivieren diepe dalen uit. Nog steeds is de aarde hier niet tot rust gekomen, zoals recente uitbarstingen van de Stromboli en de Etna (Aetna), minder van de Vesuvius, de solfataren, minerale bronnen en aardbevingen (laatstelijk op 15 januari 1968 op Sicilië) bewijzen.
De hoogste bergtoppen vindt men in de Alpen, waar de Mont Blanc (4807 m) gevolgd wordt door de Monte Rosa (4638 m). Minder hoog reiken de Apennijnen, die in de Abruzzen in de Gran Sasso (2920 m) hun hoogste punt bereiken. Op Sicilië spant de Etna (3279 m) de kroon.
Van de gletsjermeren in de Alpen zijn het Lago di Garda (Lacus Benacus, 370 km2), het Lago Maggiore (Lacus Verbanus, 212 km4) en het Lago di Como (Lacus Larius, 150 kme) het uitgestrektst. De meren in de Apennijnen zijn veelal van vulhanische oorsprong (caldera's, kratermeren). Het bekendst zijn het Lago Trasimeno (Lacus Trasimennus), het Lago di Bolsena (Lacus Volsiniensis), het Lago di Vico (Lacus Ciminius) en het Lago di Bracciano (Lacus Sabatinus) ten noorden van Rome, het Lago di Albano (Lacus Albanus) en het Lago di Nemi (Lacus Nemorensis) ten zuidoosten, het Lago Fucino (Lacus Fucinus) ten oosten daarvan. Daarnaast komen vooral aan de westkunst strandmeren voor. De grootste rivier van I. is de Po (Padus), die zijn water vooral uit de Alpen betrekt. Minder regelmatig is de watertoevoer van de Arno (Arnus), de Tiber (Tiberis) en de Volturno (Volturnus). Veel bergstromen staan een deel van het jaar droog (fiumaren).
Aan delfstoffen is het land niet overmatig rijk.
Reeds in de oudheid benutte men het ijzer van Elba
(Ilva); daarnaast leverden Etrurië en Umbrië
koper, Vercellae en Aquileia goud en Luna marmer.
Zilver komt voor op Sardinië, lood op de Insula
Plumbaria voor de zuidwestelijke kust daarvan. Zout
werd gewonnen in pannen aan de kust.
Lit. J. Jung, Grundriss der Geographie von Italien und dem
Orbis Romanus² (München 1897). F. E. Sabin, Classical
Associations of Places in Italy (Madison 1921). G. Greim,
Italien (Breslau 1926). H. Hassinger, Geographische Grundlagen
der Geschichtea (Freiburg i. Br. 1953). D. S. Walker,
A Geography of Italy (New York 1958).
(II) Klimaat. De noordelijke Apennijnen brengen, ofschoon zij geen onoverkomelijke verkeershindernis vormen, toch een scherpe scheiding teweeg tussen het landklimaat van de Po-vlakte en het Middellandse-Zee-klimaat ten zuiden van de bergketen. Beide hebben warme zomers, waarbij de temperaturen echter zelden de 35" C. overschrijden. In het noorden, waar alleen de Riviera een vrijwel subtropisch klimaat heeft, valt de regen het hele jaar door en zijn de winters vaak streng door vorst en sneeuw. Deze zijn in het zuiden ook niet onbekend; daar regent het echter vooral in de zachte winters en worden de zomers gekenmerbt door een naar het zuiden steeds toenemende droogte. Het klimaat van Campanië is subtropisch. Een belangrijke rol spelen de winden, die al naar hun richting regen of droogte brengen. In het algemeen volgt op de overdadige luister van de lentetooi in april en mei en een eerste oogst een hete zomerslaap, waaruit de natuur in september opnieuw ontwaakt. Op de late oogst sluit een korte winterpauze aan, waarna de cyclus wederom herhaald wordt.
(III) Flora. De flora van I. is gedeeltelijk mediterraan. Door het verschil in aard en vruchtbaarheid van de diverse landschappen en hun uiteenlopende klimatologische gesteldheid vertoont zij echter een grote variatie, waarbij de rijkdom aan vegetatie naar het zuiden duidelijk toeneemt. Bovendien bleken subtropische en tropische planten, die reeds vanaf de oudheid werden ingevoerd, in I. goed te gedijen, zodat het plantenbestand in de loop van de tijd aanzienlijke wijzingen onderging. Naast de rijkdom aan cultuurplanten steken de endemische planten betrekkelijk armoedig af.
Oudtijds was de begroeiing veel dichter dan thans. In de strijd van de cultuur tegen de natuur werd echter op grote schaal roofbouw toegepast, zodat vele streken ontbost werden en kregen te lijden van erosie, die de oude toestand vaak ingrijpend veranderde. De vruchtbaarste streken waren - en zijn gedeeltelijk nog - de vlakten van Po en Arno, de romeinse Campagna, het subtropische Campanië (Campania felix), het apulische tafelland (terra rossa), Sicilië en de dalen van de Apennijnen, waarbij het westen de oostzijde in vruchtbaarheid overtreft. De bergen waren vroeger bedekt met uitgestrebte bossen van loof- en naaldhout: beuken (fagus), eiken (quetcus), steeneiken (ilex), kastanjes (castanea), pijnbomen (pinus) en de uit het Oosten afkomstige ceders (cedrus) en cypressen (cyparissus); vele soorten leverden uitstekend timmerhout. Specifiek italisch zijn de buksboom(buxus), de laurier (laurus) en de mirte (myrtus). Beide laatst genoemde zijn, evenals de oleander (nerium) en de betrekkelijk laat uit het griekse cultuurgebied ingevoerde olijf (oliva, olea) altijd groen. Op meer vochtige bodem vond men de olm (ulmus), de wilg (salix) en de populier (populus). Ook waren ahorn (acer), berk (betula), els (alnus), es (fraxinus), plataan (plaianus) en taxusboom (raxus) niet onbekend. De den evenwel ontbrak, evenals de eucalyptus, die later werd geïmporteerd en een belangrijke rol zou spelen in de strijd tegen de malaria.
Berghellingen zijn en waren veelal bedekt met dicht kreupelhout (latijn macula, italiaans macchia, frans maquis), dat als het ware de heide vervangt. Behalve oleander en laurier trof men daar ook klimop (hedera) en tamarisk (myrice) aan. Dorre streken waren bedekt met hard gras en geurige kruiden, waar bijen honing haalden, waarom vooral Sicilië bekend was. Op vochtige oevers groeide lang riet (arundo).
In I. werden vele vruchtbomen gecultiveerd. Naast de olijf en kastanje vond men er de Johannesbroodboom (ceratonia), de granaatappel- (malus punicea) en de vijgeboom (ficus), de appel (malus), peer (pirus), pruim (prunus), kers (cerasus) en de perzik (malus persica), de amandel- (amygdala) en de noteboom (nux). Citrusvruchten ontbraken in de oudheid geheel; ze werden, evenals de moerbei (morus), de dadelpalm (phoenix) en de cactusvijg eerst later ingevoerd.
De wijnstok was echter van oudsher bekend (vitis); de verschillende wijnsoorten, waarvan de uit Campanië afkomstige Falernische wijn wel het beroemdst was, wedijverden met elkaar in kwaliteit. Tot de verbouwde granen behoorden vooral tarwe (triiicum), gerst (hordeum) en spelt (far). Gierst (milium) leverde vooral de Po-vlakte, waar ook vlas (stuppa) vandaan kwam. Haver en rogge (avena; secale) daarentegen golden meestal als onkruid. IJverig beoefend werd de teelt van groenten, die vooral voor de armeren een belangrijk bestanddeel vormden van het menu. Als peulvruchten kende men bonen (faba), erwten (cicer, pisum) en linzen (lens), als bladgroenten diverse koolsoorten (crambe, caulis), sla (lactuca), prei (porrum), artisjokken (cinara); tot de bol- en knolgewassen behoorden uien (caepa), knoflook (allium), bieten (beta) en rapen (rapa), en radijzen of rammenas (raphanus). Naast asperges (asparagus) waren ook komkommers (cucumis), meloenen (pepo) en pompoenen (cucurbita) in trek. Onder de kruiden moeten de dille (anerhum), kummel (cuminum), mosterd (sinapi), selderij (apium), venkel (feniculum) en waterkers (nasturcium) genoemd worden.
Reeds aan de voet van de Alpen valt in I. de overdadige
natuurlijke bloemenpracht op. Vermelden wij
slechts de anemone, de narcis (narcissus), de papaver,
de brem (ferula), de bereklauw (acanthus) en de
asfodil (asphodelus). Toch kende de oudheid slechts
weinig gekweekte bloemsoorten en is met het noemen
van de roos (rosa), waarom vooral Paestum
vermaard was, de lelie (lilium), het viooltje (viola)
en de crocus de lijst vrijwel volledig.
Lit. R. Billiard, La vigne dans l'antiquité (Lyon 1913). O.
Gessner, Die Gift- und Arzneipflanzen von Mitteleuropa
(Heidelberg 1931). V. Hehn/O. Schrader/R. Engler,
Kulturpflanzen und Haustiere in ihrem Übergang aus Asien nach
Griechenland und Italien sowie in das ubrige Europas
(Berlin 1911= Hildesheim 1963).
(1) Van de verscheurende dieren kwam in het oude I. slechts de wolf (lupus) voor. In de vrije natuur werd ook de vos (vulpes) aangetroffen. Tot het jachtwild behoorden hert en hinde (cervus, cerva), de haas (lepus) en het konijn (cuniculus), dat uit Spanje afkomstig is. Van de kleine zoogdieren kende men het eekhoorntje (sciurus), de mol (talpa), de egel (echinus), de muis (mus) en de vleermuis (vespertilio), van de amfibieën de kikker (rana) en de pad (rubeta), van de reptielen de slang (serpens, draco, coluber) en de adder (vipera). Ook kwamen schildpadden (testudo) en hagedissen (lacertus, lacerta) voor.
(2) Huisdieren. De huiskat (felis, catus) verschijnt in I. eerst in de keizertijd. De hond (canis) daarentegen was algemeen verbreid, evenals geiten (capra) en bokken (caper), schapen (ovis) en, in mindere mate, runderen (bos). De buffel (urus) had kort na 600 vC zijn intrede gedaan. Als transport- en trekdieren overtroffen ezels (asinus) en muildieren (mulus) de paarden (equus); van deze waren vooral die van Sicilië en Venetië bekend. Ook werden varkens (sus) gefokt.
Ganzen (anser), eenden (anas) en kippen (gallina, haan: gallus) hield men om hun eieren, vlees en veren. Vooral voor het genoegen dienden duiven (columba), pauwen (pavo) en fazanten (phasianus).
(3) Vogels en insecten. De vogelwereld van I. was zeer uitgebreid. Van de roofvogels kwamen de gier (vultur), de adelaar (aquila), de havik (accipiler) en de uil (ulula, bubo) voor, van de bosvogels de raaf (corvus) en de koekoek (cuculus); in het veld zag men de kwartel (coturnix), aan de waterkant de ooievaar (ciconia), de reiger (ardea) en de kraanvogel (grus). Zangvogels waren spreeuw (siurnus), mus (passer) en vink (fringilla), lijster (turdis), merel (merula) en nachtegaal (luscinia), zwaluw (hirundo), mees (parus), leeuwerik (alauda) en kwikstaart (moiacilla). Van de insecten noemen we de bij (apis), de wesp (vespa) en de horzel (crabro), de mug (culex, en speciaal de malariamug, anopheles) en de vlieg (musca), de krekel (cicada) en de sprinkhaan (locusta), vlinders (papilio), kevers (scarabaeus), mieren (formica), spinnen (aranea) en schorpioenen (scorpio), luizen (pedis) en vlooien (culex).
(4) Vissen. De Middellandse Zee behoort tot de visrijkste
wateren van de aarde en bevat ca. 450 vis- en
ca. 850 weekdiersoorten. Het talrijkst waren er de
tonijn (thynnus), de makreel (scomber) en de inktvis
(sepia). Verder kwamen voor de dolfijn (delphinus)
en de haai (squalus), zeepaling (conger), tarbot
(rhombus), tong (solea), ansjovis (apua) en sardines
(atherina). Kreeften en krabben (cancer), grote garnalen
(aquilla), oesters (ostrea), mosselen (mitulus)
en andere schelpdieren (concha) vormden een belangrijk
bestanddeel van het menu (frutti di mare).
In de rivieren vond men o.m. baarzen (perca),
palingen (anguilla) en karpers (cyprinus).
Lit. O. Keller, Die antike Tierwelt 1-2 (Leipzig 1909-1913 =
Hildesheim 1963).
(V) Bevolking en politieke indeling. Door bodemgesteldheid en klimaat was I. van oudsher uitermate geschikt voor menselijke bewoning. Het bezat voldoende grond voor landbouw en veeteelt, en overal was een visrijke zee binnen het bereik, die bovendien overzeese contacten mogelijk maakte. Ook nam het schiereiland door zijn ligging een centrale positie in het Middellandse Zee-gebied in, waardoor het een brug vormde in de noord-zuid-verbinding en een versperring kon zijn op de weg van oost naar west. Stond het enerzijds open voor volksverhuizingen vanaf het europese continent, anderzijds was het tevens doel van kolonisatie vanuit zee. Reeds in het paleolithicum werd I. door mensen bewoond. Tijdens het neolithicum, vanaf het midden van het 6e millennium, nam de bevolkingsdichtheid toe. Uit de bronstijd (1600-1200) is vooral de tenamare-cultuur in Noord-Italië bekend. Aansluitend daaraan breidde de Villanova-cultuur zich uit tot het midden van het land. In de overgangsperiode tussen brons- en ijzertijd trokken indo-europese dialecten sprekende volksgroepen vanuit het Donaugebied en Illyricum het land binnen. Onder deze onderscheidt men de'verbrandende' (o.a. Latini en Falisci) en de 'begravende' Italiërs (de oskischumbrische groep). Te samen worden deze volksgroepen Italici of Italiërs genoemd, in tegenstelling met resten van de oerbevolking (Liguriërs, Ausoniëers, Oenotriërs en Siculiërs), de vanaf 900 binnengedrongen Etruriërs, de Grieken die sedert de 8e eeuw vC de zuiditalische kust Magna Graecia) koloniseerden en de ca. 400 vC de Povlakte binnendringende Kelten (Galliërs). Door de Etruriërs en de Grieken kwam het italische boerenen herdersvolk onder de invloed van de griekse cultuur.
Van de politieke organisatie in de praeromeinse tijd is weinig bekend. De griekse poleis in het zuiden waren kolonies van afzonderlijke steden in het griekse moederland (bv. Cumae van Chalcis en Eretria, Tarente van Sparta, Syracuse van Corinthe); Etrurië kende een bond van 12 steden. Rome zelf was oorspronkelijk niet meer dan een stadstaat. Al naar gelang van hun politieke status onderscheidde het in het gewonnen gebied civitates foederatae, municipia en coloniae. De Bondgenotenoorlog (90 vC) bracht, met het romeinse burgerrecht voor alle onderdanen in Italië, een grotere staatkundige eenheid, waarin Caesar in 49 vC ook Gallia Ttranspadana opnam door aan zijn inwoners het burgerrecht te verlenen.
Octavianus verdeelde in 41 vC I. in elf regiones: Campania et Latium, Apulia et Calabria, Lucania et Bruttium, Samnium, Picenum, Umbria, Etruria, Aemilia, Liguria, Venetia et Histria, Gallia Transpadana.
Een herindeling vond plaats onder keizer Diocletianus: Italia annonaria moest voortaan de keizerlijke
hofhouding in Milaan onderhouden, terwijl de regiones
suburbicariae de taak kregen voor Rome te
zorgen. Het eerste deel omvatte vijf regiones (Raetia,
Venetia et Histria, Aemilia et Liguria, Alpes Cottiae,
Flaminia et Picenum), het tweede zes (Tuscia et
Umbria, Campania et Samnium, Apulia et Calabria,
Lucania et Bruttium, Corsica et Sardinia, Sicilia).
Lit. A. Rosenberg, Der Staat der alten Italiker (Berlin 1913).
H.J. Rose, Primitive Culture in Italy (London/New York
1926). G. Devoto, Gli antichi Italici (Florence 1931). F. Messerschmidt,
Bronzezeit und Früheisenzeit in Italien (Berlin
1935). J. Whatmough, The Foundations of Roman Italy
(London 1937). K. Beloch, Bevölkerungsgeschichte Italiens
1-2 (Berlin 1937-1940). F. Altheim, Italien und Rom 1-2
(Amsterdam/Leipzig 1941v). R. Thomsen, The Italic Regions
from Augustus to the Lombard Invasion (Kopenhagen 1947).
J. Gagé, Huit recherches sur les origines italiques et
romaines (Paris 1950). G. M. Richter, Ancient Italy. A Study of
the Interrelations of Its Peoples as Shown in Their Arts
(London/Ann Arbor 1955). P. Grimal, A la recherche de
l'Italie antique (Paris 1961). A. M. Radmilli, Piccola guida
della preistoria italiana (Florence 1962). R. Pittioni, Italien.
Urgeschichtliche Kulturen (PRE Suppl. 9, 1962, 105-372). L.
Salvatorelli, Sommario della storia d'Italia dai tempi
preistorici ai nostri giorni (Turijn 1963).
D. Ridgeway/F. R. Ridgeway, Italy before the Romans.
The iron age (London 1979).
(VI) Talen. Tot de niet-indo-europese talen, die in het oude I. gesproken werden, behoren het ligurisch, dat van onbekende herkomst is, en het etruskisch, waarvan het geheim nog steeds niet geheel is opgelost. Daarnaast zijn op Sardinië en Sicilië sporen aangetroffen van het phenicisch en het punisch, terwijl een drietal inscripties uit Novilaria (Pesaro) en dertig raetische inscripties eveneens van niet-indo-europese oorsprong schijnen te zijn. Onder de tot de centum-groep behorende indo-europese talen van I. onderscheidt men vooral de oskisch-umbrische en de latijns-faliskische groep. Het oskisch, dat vooral bekend is uit de Tabula Bantina, was de taal van de Samnieten in Samnium, Campania, Lucania, Bruttium en Messina; na verwant hieraan waren de dialekten van de Frentani, de Marrucini, de Paeligni en de Vestini.
Het umbrisch kennen wij vooral uit de Tabulae Iguvinae; nauw verwant hiermee waren de talen van de Aequiculi, de Marsi en de Volsci.
Het latijn en het faliskisch (Falerii) gaan op eenzelfde oorsprong terug. Verwant hiermee waren de talen van de Hernici en de Sabini, terwijl ook inscripties die in 1936/37 in Val Camonica ten noorden van het Lago d'Iseo werden ontdekt, een treffende overeenkomst met het faliskisch vertonen. Vaak echter staat de schaarste aan gegevens de duidelijkheid van het verwantschapsbeeld in de weg. In het noordoosten van I. werd venetisch gesproken, in het zuidoosten messapisch. De verwantschap van het venetisch met het illyrisch wordt tegenwoordig ontkend, die van het messapisch betwijfeld.
Tot de indo-europese talen in I. behoren tenslotte
nog het grieks (z.) en het keltisch (n.), en verder
misschien de talen van een aantal lepontische (Lombardije),
siculische, elymische (Segesta) en 'ausonische'
inscripties.
Lit. R. S. Conway, The Italic Dialects. Edited with a
grammar and glossary 1-2 (Cambridge 1897). R. S. Conway/J.
Whatmough/S. E. Johnson, The Prae-Italic Dialects of Italy
1-3 (London 1933). F. Altheim, Geschichte der lateulischen
Sprache von den Anfängen bis zum Beginn der Literatur
(Frankfurt a.M. 1951). E. Vetter, Handbuch der italischen
Dialekte 1. Texte (Heidelberg 1953). V. Pisani, Le lingue
dell'Italia antica oltre il latino (Turijn 1953). G. Bottiglioni,
Manuale dei dialetti italici. Grammatica, testi, glossario con
note etimologiche (Bologna 1954). E. Pulgram, The Tongues
of Italy. Prehistory and History (Cambridge Mass. 1958). U.
Schmoll, Die vorgriechischen Sprachen Suiliens (Wiesbaden
1958).). K. Olzscha, Literaturbericht über italische Sprachen
1939-1962 (Glotta 41, 1963, 70-138). - Zie verder onder de
verschillende trefwoorden betreffende de talen van I.
[A. J. Janssen]