Rome - Economie

(A) Landbouw, veeteelt, visserij. Het belang van de landbouw en veeteelt voor de R. bewijzen daarmee verband houdende woorden als locuples (rijk, nl. aan grond) en pecunia (van pecus, vee). Literatuur en wetgeving wijzen in dezelfde richting. Oudtijds bedreigden strenge straffen hem die andermans os doodde of onrechtmatig een grenssteen verplaatste. Reeds in 367 vC beperkten de leges Liciniae Sextiae het grootgrondbezit. Ook de Gracchen, Saturninus, Marcus Livius Drusus en anderen na hen trachtten door wetten de landbouw te saneren.

Als handboeken voor de landbouwer werden geschreven Cato's De agri cultura (c. 160 vC) en de Rerum rusticarum libri III van Varro (37 vC). Andere auteurs over land- en tuinbouw waren Columella (1e eeuw nC) en Palladius (4e eeuw nC). Tot 2 vC was Italië bijna geheel akkerland. Al vroeg echter kampte de landbouw met grote problemen. De achteruitgang van de boerenstand door de graaninvoer uit de veroverde korenprovincies Sicilië en Sardinië en de talrijke oorlogen leidden tot verwaarlozing van de landbouwgronden en tot verpaupering van de boeren. Zo raakte hun land in handen van grootgrondbezitters, die in de talloze slaven, veelal krijgsgevangenen, goedkope arbeidskrachten vonden (ager publicus, latifundium).

Later, toen een lonend slavenbedrijf niet meer mogelijk was, moesten veel bedrijven worden ingekrompen. Vooral in de 1e eeuw nC ontwikkelde zich een nieuw systeem, doordat kleine percelen werden toegewezen aan coloni. Dit breidde zich uit over het hele rijk en stond model voor de latere landbouw in Midden- en Noord-Europa. Grote landbouwbedrijven waren vaak verbonden met bank- en handwerkbedrijven, handelsondernemingen en kleine garnizoenen.

De vanuit Etrurië sterk beïnvloede landbouw was in het begin vooral gericht op de teelt van granen (spelt, gerst, tarwe, maïs) en fruit (appels, druiven), in mindere mate op die van groenten (bonen, linzen, kool, rapen, prei). Naderhand bereikte hij een hoge standaard. Voor bemesting gebruikte men stalmest, maar ook potas en lupinen. Wisselbouw werd ook reeds toegepast. Als nieuwe voedergewassen deden lucerne, klaver en wikke hun intrede; fruitsoorten uit het Oosten (vijg, dadel, citroen, perzik, amandel e.a.) verbreidden zich over het Westen. Sedert de 2e punische oorlog nam de druiven- en olijvencultuur een hoge vlucht. Intensief legde men zich toe op de winning van honing, die de suiker verving. De landbouwmethoden werden steeds verbeterd.

De outillage was echter vaak gebrekkig; karren en ploegen waren vrij primitief, dorsen geschiedde met de vlegel, een dorsslede of een rol. Werkorganisatie en boekhouding werden niet veronachtzaamd. In de keizertijd leerde men ook enten; Plinius maior zag aan één boom noten, kersen, druiven, peren, appels en granaatappels.

Na de inlijving van de korenprovincies begon de veeteelt de landbouw te verdringen. Fokten de rijkeren vooral paarden, de minder bemiddelden legden zich meer toe op hoornvee, de kleine boeren .op kleinvee (schapen, geiten, varkens, ezels en muilezels). Melk diende voornamelijk voor de bereiding van kaas. Nog onder de republiek kwam ook de kippenfokkerij tot grote bloei. Waar gebrek was aan weidegronden, werden deze, vaak met opoffering van bouwgrond, door overheid of particulieren aangelegd. Het grootste bekende veeteeltbedrijf uit de romeinse oudheid had 2000 koeien, 1000 paarden, 10.000 schapen, 15.000 geiten en rond 500 slaven.

De visserij werd behalve als beroep ook voor tijdverdrijf beoefend. Naast grote, vooral op zee gebruikte, sleepnetten kende men kleine netten, waarmee men vanaf het land viste, snoer, angel en fuiken; grote vissen ving men met een drietand. Als volksvoedsel speelde vis een grote rol.


Lit. Landbouw: K. Schumacher, Der Ackerbau in vorrömischer und römischer Zeit (Mainz 1922). G. Papasogli, L'agricrütura degli Etruschi e dei Romani (Rome 1942). K. D. White, Agricultural Implements of the Roman World (Cambridge 1967). Id., A Bibliography of Roman Agriculture (Woking 1970). Id., Roman Farming (Ithaca 1970). R. Martin, Recherches sur les agronomes latins et leurs conceptions économiques et sociales (Paris 1971). K. Ahrens, Columella, Über Landwirtschaf (Berlin 1972). F. Hinrichs, Die Geschichte der gromatischen Instituüonen. Untersuchungen zu Landverteilung, Landvermessung, Bodenverwaltung und Bodenrecht im römischen Reich (Wiesbaden 1974). K. D. White, Farm Equipment of the Roman World (Cambridge 1975). Veeteelt: A. Hanger, Zur römischen Landwirtschaft und Haustierzucht (Hannover 1921). A. Hörnschemeyer, Die Pferdezucht im klassischen Altertum (Diss. Giessen, Lingen 1929). F. Vincke, Die Rinderzucht im alten Italien (Diss. Giessen, Bottrop i.W. 1931). H. Winckelstem, Die Schweinezucht im klassischen Altertum (Roma 1933). J. M. Toynbee, Animals in Roman Life and Art (London 1973). K. D. White, Farm Equipment of the Roman World (Cambridge 1975).


(B) Arbeid en industrie. In het oudste Rome was landbouw de voornaamste bron van bestaan. Nog in de 4e eeuw vC verrichtten aanzienlijke burgers, tot wie ook Cato zich later nog zou richten, er zware landarbeid. Deze èn de handel grote stijl zijn in Cicero's ogen de enige bezigheden die een voornaam man passen. Vrijwel alle levensbenodigheden werden aanvankelijk veelal in eigen huis vervaardigd. Tijdens de republiek leidde de achteruitgang van de boerenstand tot een trek naar de stad en de keuze van een handwerk. Toenemende koopkracht en geldcirculatie, uitvindingen, voortschrijdende specialisatie en stimulering van de productie door de staat bevorderden het ontstaan van industrieën, waarbij in de 2e en 1e eeuw vC het griekse systeem van ἐργαστήρια (werkplaatsen, ateliers) ingang vond en slaven de voornaamste arbeidskrachten waren. De kleine handwerker combineerde vaak de verkoop van eigen producten met een algemene kleinhandel.

In grote kapitalistische ondernemingen ging vanaf de 1e eeuw vC de industrie samen met landbouw, handel en bankwezen. Vaak verschaften deze aan slaven en vrijgelatenen het nodige kapitaal voor half-zelfstandige werkplaatsen, waarvan de fabrieken van terra sigillata van Rabirius Postumus een voorbeeld zijn. Staats- en monopoliefabrieken ontwikkelden zich tot gigantische bedrijven. Vrije handwerkers en ook slaven sloten zich aaneen in verenigingen (collegia) met een sociaal en religieus doel. Hun bemoeienissen met politiek en economie waren vaak echter zo ingrijpend dat zij ontbonden of onder controle geplaatst moesten worden.

Aan de waardering voor geestesarbeid stond de tegenstelling otium/negotium lange tijd in de weg. Nog in de 1e eeuw nC werd geestelijke arbeid slechts gewaardeerd als vrucht van otium. In de keizertijd verloor de onbetaalde staatsdienst, die de voornaamste taak was van een vrij man, zijn aantrekkingskracht door het verlies van de democratische vrijheid en de steeds ondraaglijker financiële lasten ervan. Wijsbegeerte en godsdienst verdiepten het ethos van de arbeid, die door het christendom ook als een dienst aan God werd gezien.

Intussen breidden de grote ondernemingen zich ook over de provincies uit. Sporen van gecontroleerde economie, die vooral uit het ptolemaeïsche Egypte bekend is, vindt men vooral bij mijnindustrieën, tempel- en staatsdomeinen. Nieuwe uitvindingen (cement, staal, glas, blaasbalg) leidden tot verdere ontwikkelingen. De plaatselijke markten van provinciale districten werden voorzien van bakstenen, grof aardewerk, goedkope leer- en metaalproducten, textiel en terra sigillata, waarbij de stedelijke productie zelfs werd overvleugeld.

Vanaf Hadrianus (2e eeuw nC) slonk echter de koopkracht. Geleidelijk aan zag de afhankelijk wordende handwerker zich gedwongen tot aansluiting bij grootbedrijven. Normativisering van het stedelijk handwerk, bureaucratische controle of vervanging door staatswerkplaatsen moesten de ondergang van belangrijke stedelijke productiecentra helpen voorkomen. Zo ontwikkelde zich vanaf de 2e eeuw nC in veel plaatsen een geleide economie. Tenslotte richtte de staat zijn eigen werkplaatsen op om in eigen behoeften van bestuur, hof en leger te voorzien. Ook vorderde hij voor staatsdoeleinden particuliere corporaties van ambachtslieden en besteedde hieraan concessies en monopolies uit. Tijdens de crisis van de 3e eeuw nC werden de ambachtslieden van hele streken afhankelijk van de orders van de regering.

Diocletianus en Constantijn verplichtten alle handwerkers zich regionaal aaneen te sluiten in door de staat gecontroleerde bonden, die ook arbeiders in staatsbedrijven omvatten. Onder deze keizers nam het aantal particuliere industrieën verder af en werd een samengaan van producenten en handel regel op het land. In de late 4e eeuw zette een nieuwe ontwikkeling in: door wettelijke privileges en omkoperij verzekerden de collegia zich van invloed op de verkoopprijzen, de vaak collectieve inkoop van grondstoffen, beperking van de productie enz.


Lit. Economie algemeen: M. Rostovtzeff, The Social and Economie History of the Roman Empire (Oxford 1926, ²1957; duitse vertaling: Gesellschaft und Wirstschaft im römischen Kaiserreich 1-2, Leipzig 1931). G. Mickwitz, Geld und Wirtschaft im römischen Reich des vierten Jahrhunderts n.Chr. (Helsingfors 1932 = Amsterdam 1965). T. Frank, An Economic Survey of Ancient Rome 1-6 (Baltimore 1933-1940). F. Heichelheim, Wirtschaftsgeschichte des Altertums vom Paläolithikum bis zur Völkerwanderung 1-2 (Leiden 1938; engelse bewerking: An Ancient Economic History from the Palaeolithic Age to the Migrations of the Germanic, Slavic and Arabic Nations 1-2, ib. 1958-1964). M. I. Finley, The Ancient Economy (Berkeley 1973). R. Duncan-Jones, The Economy of the Roman Empire. Quantitative Studies (Camtiridge 1974). A. H. Jones, The Roman Economy. Studies in ancient economie and administrative history (Oxford 1974). Th. Pekáry, Die Wirtschaft der griechisch-römischen Antike (Wiesbaden 1976). H. Schneider ed., Zur Sozial- und Wirtschaftsgeschichte der späten römischen Republik (Darmstadt 1976; Wege der Forschung 413).

Arbeid: P. Louis, Le travail dans le monde romain (Paris 1912). F. de Robertis, Lavoro et lavoratori nel mondo romano (Bari 1963). C. Mossé, Le travail en Grèce et à Rome (Paris 1966, ²1971). A. Burford, Craftmen in Greek and Roman Society (London 1972). D. Taylor, Work in Ancient Greece and Rome (ib. 1975).

Industrie: H. Gummerus, Die römische Industrie. Wirtschaftsgeschichtliche Untersuchungen (Klio 14, 1914, 129-189; 15, 1918, 256-302). A. W. Persson, Staat und Manufaktur im römischen Reiche (Lund 1923). F. Behn, Steüïmdustrie des Altertums (Mainz 1926). J. F. Healy, Mining and Metallurgy in the Greek and Roman World (London 1978).

Corporaties: F. de Robertis, Storia delle corporazioni e del regime associativo nel mondo roniano 1-2 (Bari 1971).


(C) Handel. De inrichting van het Forumdal als centrale marktplaats en de vondsten van corinthisch aardewerk aldaar tonen aan dat Rome reeds in de 6e eeuw vC een handelsplaats van belang was. De voor de zouthandel zo belangrijke Via Salaria passeerde de stad, handelaars uit de omtrek kwamen naar het Forum Boarium, marktdagen werden ingevoerd en de eerste handelsbepalingen kwamen tot stand. Rond 350 vC werd aan de Tibermonding te Ostia een zeehaven aangelegd ter vervanging van de beperkte rivierhaven bij de stad zelf. De uitbreiding van het rijk opende voor de handel ongekende perspectieven. Nieuwe mogelijkheden voorzagen in de noodzakelijke (graan) en luxueuze behoeften van de steeds groeiende bevolking, maar ook kwamen er nieuwe afzetgebieden ter beschikking voor de eigen industrie. Van enorm voordeel daarbij was de eenheid van het rijk en de invoering van muntgeld in de hele oude wereld. De invoer overtrof echter verre de uitvoer van eigen voortbrengselen. Deze onevenwichtigheid in de betalingsbalans werd gecompenseerd doordat de invoer van graan en grondstoffen gekoppeld werd aan het tributum.

Intussen verspreidden de italische producten (aardewerk, ijzerwaren, wijn en olie) zich in de 2e eeuw vC over het hele Middellandse-Zeegebied. Het economische centrum was Rome. De voornaamste italische havens waren Puteoli en Ostia, in Gallië Narbo en Arelate, in Africa Utica, Cyrene en Cirta, in het Oosten Athene, Delus, Rhodus, Ephese, Apamea, Antiochië en Alexandrië. Tegen het einde van de republiek waren er reeds handelscontacten met keltisch Europa, Arabië, Zuid-Rusland, Siberië, Indië en Oost-Afrika.

Vanaf de 2e eeuw vC kende Rome ook gilden van navicularii, mercatores en caupones. Grote invloed verwierven die van de negotiatores, waarin kooplui, bankiers en de eigenaars van fabrieken en grote landgoederen zich verenigden. Tot de tijd van Caesar trokken zij in alle provincies de handel aan zich. Ook onder het principaat namen Rome en Italië op handelsgebied een dominerende plaats in. De vrije handel eindigde echter toen de provincies een verstrekkende economische autarkie bereikten en de staat de controle op de handel aan zich trok. Intern voltrokken zich drastische wijzigingen, doordat men veel goedkope producten plaatselijk ging produceren (Arbeid en industrie).

Vanaf de 3e eeuw nC werd vooral de interprovinciale handel in kostbare goederen winstgevend. Veel plaatselijke handel lag in handen van grote landbouwbedrijven en staatsinstellingen. De geldinflatie had intussen echter de koopkracht verzwakt. Vanaf Hadrianus moesten alle belangrijke handelsbedrijven op de been gehouden worden door de romeinse regering. De collegia van kooplui, die oorspronkelijk van particuliere aard waren, werden gebundeld, aan strenge regels onderworpen en gepriviligieerd door de staat. Overal waar het staatsbelang dit eiste werd een systeem van wettelijke regelingen getroffen. Dit beduidde het einde van de vrije handel voor eeuwen. Prijzen en handelsvoorwaarden werden gecontroleerd door ambtenaren overal waar zich moeilijkheden voordeden. Een treffend voorbeeld van overheidsbemoeienis is het prijzenedict van Diocletianus.


Lit. E. H. Warmington, The Commerce between the Roman Empire and India (Cambridge 1928). M. Wheeler, Der Fernhandel des römischen Reiches in Europa, Afrika und Asien (München/Wien 1960). M. P. Charlesworth, Trade-Routes and Commerce of the Roman Empire (Cambridge 1924 = Hildesheim 1961). J. Rongé, Recherches sur Porganisation du commerce maritime en Méditerranée sour l'Empire Romain (Paris 1966). J. I. Miller, The Spice Trade of the Roman Empire 29 B.C. - A.D. 641 (Oxford 1969). O. Schlippschuh, Die Händler im römischen Kaiserreich in Gallien, Germanien und den Donauprovinzen Rätien, Noricum und Pannonien (Amsterdam 1974).


doorsnede(D) Verkeer. Het uitgestrekte romeinse rijk zou niet hebben kunnen functioneren zonder goede verbindingen. Het wegennet, in 3 12 vC door Appius Claudius begonnen met de aanleg van de Via Appia, breidde zich snel uit, zodat het keizerrijk op zijn hoogtepunt over talloze primaire en secundaire wegen met viaducten, bruggen en tunnels beschikte.

Zij waren van allerlei gemakken als voetpaden, opstapstenen, mijlpalen, uitwijkplaatsen, paardenwisselstations en herbergen voorzien. De nog bestaande wegen en literaire gegevens tonen met welk een technische vaardigheid genietroepen wegen aanlegden. Hoofddirecteur was aanvankelijk de censor, in de keizertijd een speciale curator. Enkele van de bekendste wegen zijn de Via Appia (naar Brundisium), de Via Flaminia (naar Ariminum) en de Via Aurelia (naar Massilia en Spanje). Het verkeer in Rome bewoog zich in dichte drommen door de vaak nauwe straten en bestond overdag uitsluitend uit voetgangers, sinds Caesar het wagenverkeer overdag had verboden. De nachten waren er dan ook zeer rumoerig. Het ontbreken van straatverlichting werkte bovendien de onveiligheid in de hand. De eenheid van het rijk, die paspoorten overbodig maakte, vergemakkelijkte het verkeer binnen het rijk. Verkeersregels ontbraken. Itineraria en landkaarten hielpen de weg te vinden. Grensposten waren voorzien van tolstations. Berucht waren de straat- en zeerovers en de slechte bediening door hebzuchtige en onbetrouwbare herbergiers. Naast het officiële verkeer van bestuursambtenaren, legerafdelingen, koeriers, kolonisten en goederentransport ontwikkelde zich een particulier verkeer van zakenlieden en reizigers die, om studieredenen, cultuurcentra als Athene, Rhodus en Antiochië bezochten. Toerisme naar de Alpen, Egypte en Babylon kwam ook voor, zij het in mindere mate. In de stad verplaatsten de welgestelden zich op een draagbed (lectica) of in een draagstoel (sella gestatoria). Bij de stadspoorten stonden vaak huurwagens ter beschikking. Grotere afstanden legde men te paard af of in een twee- of vierwielige wagen. Naast het tweewielige carpentum ontwikkelden zich vooral onder keltische invloed allerlei wagentypes: een zware twee- of vierwielige lastwagen (plaustrum), een militaire transportwagen (carrus), de vierwielige raeda en een snelle tweewielige reiswagen (cisium, essedum).

wagen

De meest confortabele en dus geprefereerde reismethode was die per schip. De zeeverbindingen beschikten over de nodige kust- en havenvoorzieningen als vuurtorens, havendammen, kaden, laad- en losinrichtingen en opslagruimten. Omdat het kompas ontbrak, voer men meestal in zicht van de kust, terwijl men zich 's nachts op de sterren oriënteerde. Ook bestonden er al hulpboeken (periplus). Op de Po, Rijn, Donau en Nijl was er een niet onbeduidende binnenscheepvaart, die naast de handel ook de grensverdediging diende.

Het uitgebreide bestuursapparaat maakte een postdienst (cursus publicus) onontbeerlijk. Ontstaan in Perzië in de 5e eeuw vC en overgenomen door hellenistische staten, werd hij door Augustus degelijk georganiseerd en onder Constantijn verder geperfectioneerd. De staatspost stond onder leiding van een a vehiculis, sedert Hadrianus praefectus vehiculorum genoemd. Talrijke ambtenaren zorgden voor de instandhouding van goede wegverbindingen, het regelmatig functioneren van de poststations (stationes) en de overige voorzieningen als het onderhoud van paarden en wagens. De kosten van de staatspost, die alleen ambtelijke zendingen verzorgde, waren voor rekening van de provinciale bevolking.

De postboden (tabellarii, celeripedes) hadden een legitimatiebewijs (diploma). Ook kwam op beperkte schaal een door tabellarii of cursores verzorgde particuliere post voor. Men correspondeerde op met witte was bestreken tafeltjes (tabulae, cerae), of op papyrus en perkament.


Lit. L. Casson, Travel in the Ancient World (London 1974). Wegen: A. Grenier, Manuel d'archéologie gallo-romaine 2, 1. Les routes (Paris 1934). R. J. Forbes, Notes on the History of Ancient Roads and their Construction (Amsterdam 1934, ²1964). Th. Pekáry, Untersuchungen zu den römischen Reichsstrassen (Bonn 1968). R. Chevalier, Les voies romaines (Paris 1972). J. Cyrille, De Romeinse wegen (Haarlem 1974). H. Bender, Römische Strassen und Strassenstafionen (Stuttgart 1975).

Scheepvaart: A. Köster, Das antike Seewesen (Berlin 1923). J. Ledroit, Die römische Schiffahrt im Stromgebiet des Rheimes (Mainz 1930). G. Rost, Vom Seewesen und Seehandel in der Antike (Amsterdam 1968). L. Casson, Ships and Seamanship in the Ancient World (Princeton 1971). Zie ook lit. bij III C. Defensie.

Post: W. Riepl, Das Nachrichtenwesen des Altertums (Leipzig 1913). E. Holmberg, Zur Geschichte des cursus publicus (Diss. Uppsala 1933). H. Pflaum ed., Essai sur le cursus publicus sous le Haut-Empire romain (Paris 1940).


(E) Geld. Het latijnse woord pecunia (geld) herinnert aan de primitieve maatschappij, waarin vee (pecus) als ruilmiddel diende. Later werd dit vervangen door stukken ruw metaal (aes rude), die afgewogen werden, nog weer later voorzien van een afbeelding (aes signatum). Tenslotte volgden de R. het voorbeeld van de Grieken, dat reeds eerder door andere italische stammen was overgenomen: het in 289 vC ingestelde college van de tresviri monetales liet bronzen munten gieten, waarvan de eenheid de as was met een gewicht van een romeins pond (12 unciae). Muntplaats was de tempel van Iuno Moneta op het Capitool. Onpraktisch als deze zware munten (aes grave) waren, werden zij geleidelijk vervangen door kleinere en lichtere stukken, die vanaf ca. 200 vC geslagen worden.

Intussen werden in het veroverde Campania reeds zilveren munten geslagen met het opschrift ROMA of ROMANO(M). Handelscontacten met Griekenland en het Oosten, waar de zilveren munt overheerste, noopten de R. eveneens zulke munten te slaan. De eerste, die in 269 vC verschenen, volgden de griekse standaard (didrachmen). De in 235 vC volgende quadrigatus werd rond 210 vC vervangen door de zilveren denarius, die op de as was gebaseerd. Kleinere zilverstukken waren de quinarius en de sestertius, van resp. 5 en 2 1/2 as. Ofschoon deze munten de hele wereld veroverden, bleven daarnaast eigen munten van andere italische steden nog in omloop, totdat de behoefte daaraan verdween.

Het aanmunten van sestertii werd al vroeg gestaakt, al bleef men wel hiermee rekenen (cf. 'daalder'). In 217 vC reduceerde een lex Plautia het gewicht van de as tot 1 uncia en ca. 130 vC werd de eveneens in gewicht verminderde denarius met 16 asses unciales gelijkgesteld. In 89 vC werd het gewicht van de as tot 1/2 uncia teruggebracht Pas tegen het einde van de republiek kwam goudgeld, dat voordien slechts bij bepaalde gelegenheden was aangemunt, in zwang. Terwijl brons al gauw tekengeld werd, behielden zilveren en gouden munten hun intrinsieke waarde. In de keizertijd bleef de zilverbasis van het romeinse geld gehandhaafd. Slechts de keizer had het recht goud en zilver te laten aanmunten; de letters S.C. (senatus consulto) op bronzen munten duiden erop dat deze tot het domein van de senaat behoorden. De sedert Caesar geslagen aureus had een waarde van 25 denarii of 100 sestertii. Als zilveren munten kende het principaat de denarius en de quinarius (resp. 16 en 8 as). De sestertii waarmee men gewoonlijk rekende, waren in deze tijd van koper. Overigens kon de keizer ook aan andere steden dan Rome het muntrecht verlenen (Lugdunum, Sirmium, Antiochia enz.).

Daar de passieve handelsbalans een voortdurend wegvloeien van edele metalen veroorzaakte, die door de mijnen niet voldoende konden worden aangevuld, zag Nero zich gedwongen het gewicht van de denarius verder terug te brengen. Verstoring van het economisch bestel leidde in de 2e en 3e eeuw tot inflatie en verdere gewichtsvermindering. De door Caracalla in 214 ingevoerde antoninianus was een dubbele denarius van laag zilvergehalte, later zelfs een verzilverde en een bronzen munt van zo lage kwaliteit dat Aurelianus zich gedwongen zag ter sanering van het geldwezen een nieuwe antoninianus uit te geven. As en denarius waren gedoemd te verdwijnen. Bij zijn munthervorming van 294 verving Diocletianus de antoninianus door de grotere follis van verzilverd brons en deed in de argenteus de denarius herleven. In 307 voerde Constantijn de gouden solidus in, die zich eeuwen zou handhaven.
De romeinse munten vormen een belangrijke bron voor onze kennis van de romeinse geschiedenis.


Lit. E. Babelon, Description historique et chronologique des monnaies de la république romaine appelées monnaies consulaires 1-2 (Paris 1885v). H. Mattingly/E. A. Sydenham, The Roman Imperial Coinage 1-9 (London 1923-1951). M. von Bahrfeldt, Die römische Goldmünzprägung der Republik und unter Augustus (Halle 1923 = Aalen 1972). F. von Schrötter, Wörterbuch der Münzkunde (Berlin 1930). E. A. Sydenham, The Coinage of the Roman Republic (London 1952). M. Grant, Roman Imperial Money (ib. 1954). R. Thomsen, Early Roman Coinage 1-3 (Kopenhagen 1957-1961). R. Göbl, Einführung in die Münzprägung der römischen Kaiserzeit. (Wien 1960). H. Mattingly, Roman Coins, from the Earliest Times to the Fall of the Western Empire (London 1960). L. Breglia, Numismatica antica (Milaan 1964). H. Zelmacker, Moneta. Recherches sur l'organisation et l'art des émissions monétaires de la République romaine 1-2 (Paris 1973). Zie voorts de lit. bij de in de tekst aangeduide afzonderlijke trefwoorden.


Rome