Rome - Staatsbestel

(A) Staatsvorm en bestuur. Het oude Rome heeft drie staatsvormen gekend, het koningschap, de republiek en het keizerschap.

a. De koningstijd. Rome zou gesticht zijn door Romulus, die tevens zijn eerste koning was. Na hem regeerden nog zes koningen; zij traden op als absolute vorsten en bleven levenslang in functie. Een raad van ouden, senatus, stond hun terzijde; zijn bevoegdheid was van adviserende aard. Het lidmaatschap was voorbehouden aan de patriciërs; leden waren de hoofden van de patricische geslachten (gentes). De lagere bevolkingsklasse (plebejers) was politiek vrijwel rechteloos. Een tussengroep vormden de equites. Het volk was verdeeld in drie stamtribus (Luceres, Ramnes, Titienses), die elk tien curiae omvatten. Dienovereenkomstig vergaderde het in de comitia tributa en curiata.

Ambtenaren zijn uit de koningstijd nauwelijks bekend. Evenmin bestond er een gecodificeerd recht. Oeroude leges regiae en bepalingen uit het ius sacrum worden eerst in de latere literatuur vermeld.

b. De republiek. Na de verdrijving van de laatste koning, volgens de overlevering in 510 vC, kreeg Rome een republikeinse staatsvorm. Aan het hoofd van de staat traden nu twee consuls, die jaarlijks werden gekozen en na hun ambtsperiode ter verantwoording konden worden geroepen, zoals trouwens alle latere ambtenaren. Hun maatregelen stonden bovendien bloot aan het veto van hun collega (intercessio collegae). De consuls werden bijgestaan door misschien nog uit de koningstijd stammende quaestores. De priesterlijke functies van de koning gingen over op de rex sacrorum en de pontifices. De standenstrijd en de uitbreiding van de taken die gepaard ging met de groei van het rijk, noopten al spoedig tot het scheppen van nieuwe functies. Zo ontstond in 491 vC het ambt van tribunus plebis, die door een aedilis plebis werd geassisteerd. In 443 vC volgde de functie van censor. Daarop werden, tot 367 vC, de consuls herhaaldelijk vervangen door tribuni militum consulari potestate. In datzelfde jaar werd de praetuur (praetor) ingesteld en trad naast de volksaediel een aedilis curulis. De vaste ambtelijke loopbaan, de cursus honorum, omvatte toen achtereenvolgens de quaestuur, de aediliteit, de praetuur en het consulaat.

Naast de genoemde magistratus ordinarii kende Rome magistratus extraordinarii, waarvan de dictator, de magister equitum en de interrex de voornaamste zijn. Ook hebben er vaste (bv. de decemviri sacris faciundis) en tijdelijke (bv. decemviri legibus scribundis) colleges bestaan. Op persoonlijke ambitie en militaire macht gebaseerd waren de driemanschappen (triumvir), die mede het einde van de republiek hebben ingeluid. In dienst van de staat stonden tenslotte ook de talrijke priesterschappen en de bevelhebbers en officieren van het leger. De senaat overleefde de val van het koningschap en ontwikkelde zich tijdens de republiek van koninklijke adviesraad tot het machtigste college van staat.

Daarnaast kwam het volk bijeen in eigen vergaderingen. Een bijeenkomst van de plebs alleen werd concilium genoemd, een volksvergadering comitia. Ook nadat de leges Liciniae Sextiae (367 vC) voor de plebejers de toegang tot de senaat geopend hadden en de lex Ogulnia (286 vC) de goedkeuring van de senaat (patrum auctoritas) op de volksbesluiten had afgeschaft, bleef de senaat het invloedrijkste lichaam in de staat. Wetten en besluiten werden dan ook ingeleid door de formule Senatus populusque Romanus (S.P.Q.R.).

c. De keizertijd. Na een eeuw van politieke en sociale onrust werd, nadat twee driemanschappen daartoe al de aanzet hadden gegeven, in 27 vC de republikeinse staatsvorm vervangen door het keizerschap (princeps). De republikeinse ambten en instellingen bleven voortbestaan, maar verloren voor een deel hun betekenis. De keizer immers kreeg door een cumulatie van functies (en eretitels) de hoogste staatsleiding in handen. Toch respecteerden de eerste, maar ook verscheidene latere keizers in hoge mate de positie van de senaat. Voor deze 'regering van twee' schiep Mommsen de term 'dyarchie'. In scherpe tegenstelling hiermee staat de met Diocletianus (284 nC) aanvangende periode, waarin de keizers zich als dominus (soms dominus et deus) lieten betitelen en die als dominaat wordt aangeduid. Hierin vervielen de vorsten weer tot absolutisme en werd de senaat praktisch uitgeschakeld. Voordien wisselde de invloed van de traditionele organen van de staat overeenkomstig de aard en opvattingen van de verschillende keizers. Soms speelden ook militaire eenheden als de praetorianen een doorslaggevende rol. Tenslotte hadden de keizers, die uiteraard over een eigen hofhouding Beschikten, nog een eigen, uitgebreid ambtenarenapparaat gecreëerd, waarin functionarissen uit de ridderstand en vrijgelatenen vaak tot grote macht kwamen.

Wat het rijksbestuur betreft moet onderscheid gemaakt worden tussen Italië en de buiten-italische gebieden.

Italië was ingedeeld in een groot aantal gemeenten, die staatsrechtelijk civitas iuris Romani, civitas iuris Latini of civitas iuris peregrini konden zijn. Tot de eerste groep behoorden vooral de coloniae en municipia, wier ingezetenen het romeins burgerrecht bezaten. Het latijnse burgerrecht (Latijnen) bezaten de burgers van de steden van de tweede categorie. De civitates iuris peregrini bestonden uit niet-burgers; zij konden als civitates foederatae op grond van een met Rome gesloten overeenkomst een grote mate van autonomie hebben, of als civitates dediticiae volslagen onderworpen zijn aan de rechtsmacht van de romeinse bevelhebbers.

De buiten-italische gebieden (provincia) werden door een. romeinse stadhouder bestuurd volgens in een lex provinciae neergelegde regels. Ook provincies omvatten civitates zoals boven vermeld. Het provinciaal bestuur lag in handen van een consul of praetor cum imperio, die bijgestaan werd door een quaestor militaris en onderbevelhebbers (legatus). De keizertijd kende naast senatoriale ook keizerlijke provincies. Deze waren rechtstreeks afhankelijk van de keizer, die ze liet besturen door een keizerlijke gouverneur, een legatus Augusti pro praetore; in sommige lag het bestuur in handen van een praefectus (bv. Egypte) of van een procurator Augusti (bv. Judaea).

Met de uitbreiding van het romeinse burgerrecht vervaagde het staatsrechtelijk onderscheid tussen de verschillende rijksdelen.


Lit. Algemeen: J. Marquardt, Römische Staatsverwaltung 1-3² (Leipzig 1881-1885). Th. Mommsen, Römisches Staatsrecht 1-2³ (Leipzig 1887), 3 (ib. 1888). - J. Kromayer, Staat und Gesellschaft der Römer (Leipzig/Berlin 1923). H. Rudolph, Stadt und Staat im römischen Italien (Leipzig 1935). H. Siter, Römisches Verfassungsrecht in geschichtlicher Entwicklung (Lahr 1952). E. von Lübtow, Das römische Volk. Sein Staat und sein Recht (Frankfurt 1955). E. Meyer, Römischer Staat und Staatsgedanke (Zürich 1948, ²1961). F. de Martino, Storia della costituzione romana 1-2 (²Napels 1972v). W. Kunkel, Römische Rechtsgeschichte. Eine Einfühmngö (Köln 1972). Id., Am Introduction to Roman Legal and Constitutional History (Oxford 1966, ²1973). J. Bleicken, Die Verfassung der römischen Republik. Grundlagen und Entwicklung (Paderborn 1975).

Voor bijzonderheden zie s.vv. Senatus, Comitia, Princeps, Civitas, Provincia en de namen van de vermelde magistraten.


(B) Recht en rechtspraak. Oorspronkelijk was het recht in Rome evenmin als in Griekenland schriftelijk vastgelegd. De oudste wettelijke bepalingen worden aan de koningen toegeschreven; nog tijdens het koningschap zou een zekere Sextus Papirius het burgerlijk recht hebben opgetekend (ius civile Papirianum).

Tijdens de republiek leidde het verzet van het lagere volk tegen de rechterlijke willekeur tot de instelling van de commissie van de decemviri legibus scribundis (451 vC), die twee jaar later de eerste codificatie van wetten tot stand bracht (Wetten der Twaalf Tafelen). Anders dan het griekse recht kenmerkt het romeinse zich door beknopte, maar exacte formuleringen, fijne distincties en een vergaand formalisme. In 367 vC ging de rechtsmacht van de consuls over op de praetoren en de aedielen. Het recht werd voortaan vastgelegd in edicta praetoria en aedilicia alsmede in wetten die door de volksvergadering aangenomen en door de senaat bekrachtigd werden en de naam droegen van de indiener(s) (Lex).

Iedere ambtenaar had bovendien het recht op zijn gebied bepalingen uit te vaardigen. Bronnen van onze kennis op dit gebied zijn allereerst specialistische werken. Van het grootste belang zijn Cicero's onvoltooide De legibus en zijn De re publica. Talloze schrijvers als Polybius en Livius geven waardevolle informatie. Ook aan inscripties en papyri is een deel van de huidige kennis op dit gebied te danken.

Het principaat voegde aan de bronnen van onze kennis nog talrijke keizerlijke bepalingen (decreta, edicta, rescripta, constitutiones) toe. Bovendien zagen verscheidene verzamelingen van de bestaande rechtsregels, een soort wetboeken dus, het licht. In de 2e eeuw nC werden alle edicten van praetoren en aedielen gebundeld in het Edictum perpetuum. Onder Diocletianus kwamen de Codex Gregorianus en de Codex Hermogenianus tot stand. De constituties die sedert Constantijn uitgevaardigd waren werden in 438 bijeengebracht in de Codex Theodosianus, de sedert Hadrianus uitgevaardigde in 529 in de Codex Iustinianus, die in 533 gevolgd werd door de Digesta (Corpus iuris civilis).

Bij de rechten van een romeins burger werd onderscheid gemaakt tussen iura publica en privata. Tot deze laatste behoorde het ius legis actionis, het recht iemand voor de rechter te dagen. Na daartoe verlof gevraagd (postulatio) en gekregen te hebben diende de klager zijn klacht in (nominis delatio). Dit verplichtte de praetor, die de rechtsbeginselen vaststelde volgens welke de rechter moest oordelen, de zaak op de rol te plaatsen. Op dit eerste stadium in iure volgde dat in iudicio, waarbij de feiten onderzocht werden en een uitspraak volgde. Daarbij verscheen de beklaagde (reus), vergezeld van pleitbezorgers (patroni, causidici), invloedrijke vrienden (advocati) en getuigen à décharge (laudatores) voor de praetor, die op het Forum vóór op het rechterpodium (pro tribunali) op zijn sella curulis gezeten was. Veroordeling tot celstraf was grote uitzondering. Meestal onttrok de veroordeelde zich aan zijn straf door vrijwillig in ballingschap te gaan. Overigens gaf het ius provocationis aan een burger het recht tegen een vonnis in beroep te gaan bij de comitia centuriata. Naast de praetor urbanus die recht sprak tussen burgers, behandelde de praetor peregrinus zaken waarbij vreemdelingen betrokken waren. Diens optreden legde de grondslagen voor het ius gentium.

In 149 vC werd het ambt van praetor quaesitor ingesteld; deze trad op als voorzitter van de quaestiones perpetuae, vaste criminele gerechtshoven. Naast deze quaestiones bestonden er nog enkele lagere commissies met juridische bevoegdheden. De tresviri capitales waren belast met het toezicht op gevangenissen en terechtstellingen. De decemviri stlitibus iudicandis fungeerden als rechters in vaste gerechtshoven inzake het burgerrecht. Kwesties over eigendom en nalatenschap vielen onder de iurisdictie van de centumviri.

Los van dit alles bezaten alle magistraten op hun terrein het boete- en pandrecht. Op grond van hun imperium hadden de hogere magistraten het interpretatierecht in de burgerlijke jurisdictie. Hun geleide van met bijl en roedenbundels uitgeruste lictores was uitdrukking van hun recht om misdadigers te straffen. Ook konden zij burgers opbrengen en gevangen zetten.

Het toezicht op het gedrag van de burgers (regimen morum) verleende bijzondere bevoegdheden aan de censor. Het ius coercitionis gaf aan de volkstribuun de bevoegdheid boeten op te leggen en bezittingen in beslag te nemen.

Onder het principaat verving een keizerlijke rechtbank de vroegere gerechtshoven. Geleidelijk aan vormde zich hierbij een stand van geschoolde juristen (bv. Ulpianus). De keizer droeg zijn rechterlijke bevoegdheden over aan bepaalde magistraten als de praefecti praetorio in Italië en de legati Augusti pro praetore in de provincies. Het vroegere recht van beroep werd vervangen door een beroep op de keizer (appellatio Caesaris).


Lit. Woordenboeken: H. G. Heumann, Handlexikon zu den Quellen des römischen Rechts (Graz 1958). A. Berger, Encyclopaedic Dictionary of Roman Law (Philadelphia 1953). J. Ankum, Romeinsrechtelijk handwoordenboek (Zwolle 1973). Handboeken: H. F. Jolowicz, Historical Introduction to the Study of Roman Law (Cambridge 1932, ³1972). B. Hermesdorf, Schets der uitwendige geschiedenis van het Romeins recht (Nijmegen 1971). W. Kunkel, Römische Rechtsgeschichte. Eine Einführung (Köln 1972). M. Kaser, Römische Rechtsgeschichte (Göttingen 1950, 1968). Id., Das römische Privatrecht 1-2 (München 1955-1959, 1971-1975). B. Nicholas, An Introduction to Roman Law (Oxford 1962). E. Seidl, Römische Rechtsgeschichte und römisches Zivilprozessrecht (Köln 1962). J. M. Kelly, Roman Litigation (Oxford 1966). A. Watson, The Law of Persons in the Later Roman Republic (ib. 1967). J. Bleicken, Lex publica. Gesetz und Recht in der römischen Republik (Berlin 1975). J. Spruit, Enchiridium. Overzicht van de geschiedenis van het Romeins privaatrecht (Deventer 1915). H. Temporini/W. Haase edd., Aufstieg und Niedergang der römischen Welt II, 13-15. Recht (Berlin/New York 1976-1980).


(C) Defensie. De romeinse defensie berustte op het landleger en de vloot en op versterkingswerken in het binnenland en aan de grenzen. Oorspronkelijk was het romeinse leger een burgerleger, waarbij een jongeman op 17-jarige leeftijd werd ingelijfd en tot zijn 46e jaar moest dienen. Daarna werd hij inge- deeld bij de reserve. Aanvankelijk moest hij zijn eigen wapenrusting bekostigen; de soldij zou in 406 vC ingevoerd zijn. Van dienst uitgesloten waren de minst bemiddelden en de vrijgelatenen, vrijgesteld priesters en magistraten.

De indeling van het leger, welks grootste eenheid een legioen was, berustte op de vijf vermogensklassen. Tot 240 vC werden hieruit 170 centuriae gevormd, waarbij nog 18 centuriae equitum uit de hoogste klasse en 5 centuriae geniesoldaten, muzikanten en ongewapende reserve kwamen. De volle uitrusting van de zwaargewapenden, die uit de vier hoogste klassen kwamen, omvatte als verdedigingswapens (arma) helm, schild, pantser en scheenplaten (cassis, clipeus of scutum, lorica, ocreae), als aanvalswapens (tela) een zwaard (gladius) en een lans (hasta) of in plaats daarvan, sinds de 2e eeuw vC, een of twee lange werpspiesen (pila). De lichtgewapenden uit de 5e klasse beschikten over een slinger (funda; funditores) en een boog (arcus).

Streed men oudtijds in een onafgebroken slaglinie (falanx), waarvan de flanken door de miterij werden gedekt, later, toen het leger in 30 taktische eenheden (manipel) van elk twee centuriae was ingedeeld, werd de infanterie in drie linies (hastati, principes, triarii) opgesteld, die een grotere beweeglijkheid hadden.

Marius verenigde telkens drie manipels tot één cohort, dat voortaan de taktische eenheid van het tien cohorten omvattende legioen zou zijn. Alle legioensoldaten waren voortaan zwaargewapenden. Ofschoon de lichting rechtens niet werd afgeschaft, zette hij het burgerleger in feite om in een door werving gevormd huurleger. Augustus tenslotte stelde uit de troepen van de driemannen een staand leger samen. Het aantal legioenen en hun sterkte was in de keizertijd niet constant. Mede door de uitbreiding van het burgerrecht nam het aantal provincialen daarin gestaag toe.

Als opperbevelhebber werd de koning opgevolgd door de consuls, die werden bijgestaan door tribuni militum en legati. Onderofficieren heetten centuriones. In de senatoriale provincies voerden (proconsuls en propraetoren het hoogste bevel.

Niet-burgers konden dienen in de auxilia, die onder het commando stonden van praefecti. Speciale afdelingen vormden de cohortes praetoriae (praetoriani) en de cohortes urbanae (praefectus urbi).

De vooral uit 'driedekkers' (triremes) bestaande romeinse vloot, die in 260 vC met 'vijfdekkers' (quinqueremes) werd uitgebreid, werd bemand door matrozen die meestal slaven en vrijgelatenen waren, alsmede door roeiers en mariniers. Als admiraal fungeerde een der consuls of praetoren, een quaestor classicus, een legatus of praefectus. De voornaamste romeinse oorlogshavens waren Misenum en Ravenna.

De romeinse troepen waren gelegerd in kazernes. Zo had Rome zijn castra praetoria. Uiteraard lagen de meeste castra aan of nabij de vaak roerige grenzen, die waar een natuurlijke grensbeveiliging ontbrak werden versterkt door weermuren (limes); evenals de legerplaatsen waren deze van allerlei verdedigingswerken voorzien (castella). Legioenen voerden als herkenningsteken een adelaar (aquila), onderafdelingen een vaak met eretekenen versierd veldteken (signum). De ruitereskadrons (turmae) hadden een vaandel (vexillum). Een sanitaire dienst was bij het leger niet onbekend.


Lit. Leger en oorlogvoering: J. Kromayer/G. Veith, Heerwesen und Kriegführung der Griechen und Römer (München 1928). D. van Berchem, L'armée de Dioclétien et la réforme constantinienne (Paris 1952). G. Webster, The Roman Army. Au illustrated study (Chester 1956). H. P. Judson, Caesar's Army. A study of the military art of the Romans in the last days of the republic (New York 1961). F. E. Adcock, The Roman Art of War under the Republic (Cambridge 1963). H. E. Mellersh, Soldiers of Rome (London 1964). J. Harmand, L'armée et le soldat à Rome de 107 à 50 avant notre ère (Paris 1967). G. R. Watson, The Roman Soldier (London 1969). G. Webster, The Roman Imperial Army of the First and Second Centuries A.D. (ib. 1969). E. W. Marsden, Greek and Roman Artillery. Technical. Treatises (Oxford 1971). A. von Domaszewski, Aufsätze zur römischen Heeresgeschichte (Darmstadt 1972). Y. Garlan, La guerre dans l'antiquité (Paris 1972). J. Wilkes, The Roman Army (Cambridge 1972). P. Hodge, The Roman Army (London 1977).
Vloot: J. H. Thiel, Studies in the History of Roman Sea-Power in Republican Times (Amsterdam 1946). Id., A History of Roman Sea-Power before the Second Punic War (ib. 1954). D. Kienast, Untersuchungen zu den Kriegsflotten der römischen Kaiserzeit (Bonn 1966). Ch. G. Stam, The Roman Imperial Navy 31 B.C. - A.D. 324 (Cambridge 1969). J. Rougé, La marine dans l'antiquité (Paris 1975). H. Viereck, Die römische Flotte. Classis Romana (Herford 1975).
Wapens: P. Couissin, Les armes romaines. Essai sur les origines et l'évolution des armes individuelles du légionnaire romain (Paris 1926). H. R. Robinson, The Armour of Imperial Rome (London 1975). L. Keppie, The Making of the Roman Army London 1984). R. Davies, The Roman Soldier (ib. 1984). J.B. Campbell, The Emperor and the Roman Army (ib. 1984).


(D) Openbare financiën. Van een eigenlijke staatshuishouding kan in Rome eerst in de bloeitijd van de republiek gesproken worden. Een alles omvattende begroting en een totale planning waren daarbij echter onbekend. De staatsrekeningen (rationes publicae) waren niet meer dan een verzameling van inkomsten- en uitgavenlijsten op de afzonderlijke gebieden.

Over de staatskas, sedert haar onderbrenging in de tempel van Saturnus aerarium Saturni gebeten, beschikte de senaat, bijgestaan door quaestores, die het beheer voerden. Iedere vijf jaar werd bij het lustrum een soort approximatief budget opgemaakt. Voor vijf jaar werd ook de belastinginning aan publicani verpacht.

Oorspronkelijk betaalden romeinse burgers geen inkomsten- en vermogensbelasting. Toen echter de invoering van soldij noodzakelijk werd, werd een tributum op het vermogen ingevoerd, dat echter onregelmatig werd geheven en na de verovering van Macedonië (168 vC) werd afgeschaft. Lange tijd kwamen de voornaamste inkomsten uit de tot ager publicus geworden veroverde gebieden, waarvan percelen werden verkocht of aan de oorspronkelijke eigenaars werden overgelaten tegen betaling in natura (vectigal, decumae) of in geld (stipendium, tributum). Verpachtingen van mijnen, zoutpannen, visvangst, markten, wegen en bruggen alsmede douanerechten (portoria) vulden mede de staatskas. In de provincies werd bovendien een hoofdelijke belasting (tributum capitis) geheven. Voorts kende Rome een belasting op de vrijlating van slaven en een vrijgezellenbelasting. Buitengewone inkomstenbronnen vormden boeten, verbeurdverklaringen, het staatsaandeel in de buit, schenkingen, legaten én ook wel leningen.

Veldheren hielden er een eigen militaire kas (fiscus) op na. Sedert 295 vC werden hieruit donativa aan soldaten betaald voordat de staatskas haar aandeel in de buit ontving.

Van de staatsuitgaven slokte de oorlogvoering het grootste deel op. De soldij (stipendium) en de aankoop en het onderhoud van legerpaarden waren daarbij belangrijke posten. Daar ambtenaren tijdens de republiek niet gesalarieerd werden, waren de bestuurlijke uitgaven daarvoor laag. Een zware post waren ook de openbare werken. Ook de cultus, graanuitdelingen en de zorg voor de armen vorderden hun deel.

Daar de desbetreffende stukken verloren zijn, moet de omvang van de staatshuishouding uit literaire gegevens worden opgemaakt. Hieruit is bv. voor 168 vC tegenover een inkomstenbedrag van 57,6 miljoen sestertiën een uitgavenpost van meer dan 53,6 miljoen berekend. Over de jaren 49-45 vC lagen de inkomsten rond de 200 miljoen, terwijl de uitgaven de 605 miljoen overschreden; hiervan nam Caesar 345,3 miljoen voor zijn particuliere rekening.

In de vroege keizertijd werd de fiscus Caesaris van het aerarium gescheiden; onder de fiscus ressosteerden de keizerlijke provincies. In 6 nC ontstond ook het aerarium militare, dat gevoed werd door omzetbelastingen en successierechten en diende voor betalingen bij ontslag uit de krijgsdienst. Uiteraard lag de hoogste financiële bevoegdheid nu bij de keizer. De inkomsten kwamen vooral uit een tweetal directe en indirecte belastingen. De eerste waren het hoofdgeld en een grondbelasting, de tweede omvatten douanerechten en rechten op verkoop en overdracht. De geldpacht in de provincies werd verhoogd. De uitgaven waren vooral van militaire en, sedert de ambtenaren werden gesalarieerd, ook van bestuurlijke aard. Grote sommen verslonden ook de graanverstrekkingen, de voeding van arme kinderen (alimentationes), de gratificaties in geld of natura (congiaria), de donativa, spelen en openbare werken.

Het particuliere vermogen van de keizer werd ondergebracht in het patrimonium Caesaris, dat onder Galba (68 nC) de kas werd voor hofhouding, gebouwen, spelen en eigen keizerlijke ondernemingen. Ze werd gevuld door inkomsten. uit de keizerlijke domeinen en erfenissen. Na onder Septimius Severus in de fiscus opgegaan te zijn vond het patrimonium een voortzetting in de res privata, waarin geconfiskeerde vermogens vloeiden. Met de uitbreiding van het rijk nam ook het aantal financiële posten en de hoogte van inkomsten en uitgaven aanzienlijk toe. Zo liep de opbrengst van stipendia van 156 miljoen sestertiën in 30-28 vC op tot 967,8 miljoen in 235-237 nC, de uitgaven voor donativa en congiaria van 120 miljoen elk in 30-29 vC tot resp. ruim 200 en 387,9 miljoen in 202 en 268 nC. De onvoldoende dekking hiervoor leidde in de 2e en 3e eeuw dan ook tot devaluatie. Onder het dominaat ging het aerarium ten onder en kwamen nieuwe vormen op. De fiscus Caesaris werd voortgezet in de largitiones sacrae onder leiding van een rationalis summae rei, later comes sacrarum largitionum genoemd; de res privata kwam onder een rationalis summae rei privatae, later comes rerum privatarum geheten. Deze nieuwe ontwikkelingen leidden de laatromeinse en vroegbyzantijnse staatshuishouding in.


Lit. R. Cagnat, Étude historique sur les impòts indirects chez les Romains (Paris 1882). M. Rostovtzeff, The Social and Economie History of the Roman Empire (Oxford 1926, ²1957; duitse vertaling: Gesellschaft und Wirtschaft im römischen Kaiserreich 1-2, Leipzig 1931). F. Altheim/R. Stiehl, Finanzgeschichte der Spätantike (Frankfurt a.M. 1957). T. Frank, An Economic Survey of Ancient Rome 1-6 (Baltimore 1933-1940). E. Badian, Publicans and Sinners. Private Enterprise in the Service of the Roman Republic (Oxford 1972). M. Corbier, L'aerarium Satumi et l'aerarium müitare. Administration et prosopographie sénatoriale (Rome 1974). C. Nicolet, Tributum. Recherches sur la fiscalité directe sous la république romaine (Bonn 1976).


Rome