Romeinen

Romeinen (latijn Romani, grieks Ῥωμαῖοι). Het begrip R. kan zowel vanuit etnologisch als vanuit staatsrechtelijk gezichtspunt benaderd worden. De bevolking van de jonge stad Rome bestond uit ter plaatse gevestigde (Latijnen en Sabijnen, die tot een eenheid samensmolten onder de naam Romani. Hun 'apartheid' manifesteerde zich van stonde af aan in oorlogen met de hen omringende, ten dele stamverwante volken. Deze werden onderworpen of langs vreedzame weg tot aansluiting bij Rome bewogen, waarbij zij hun eigen binnenlandse bestel behielden en in eerste instantie geen R. werden (civitas). Daarnaast vestigden de R. overal in de onderworpen en geannexeerde gebieden kolonies van romeinse burgers (colonia). Hierdoor en ook door een geleidelijk versmeltingsproces breidde hun aantal zich uit. Zij vormden zo een bovenlaag, die drager was van het staatsgezag en van de romeinse beschaving.

Anderzijds nam het aantal R. ook door wettelijke maatregelen toe. Immers, niet alleen afzonderlijke personen, maar ook hele volksgroepen (Latini) werden soms door een wet in de romeinse burgerij opgenomen. In 212 nC geschiedde dit zelfs met alle vrije ingezetenen van het rijk door de constitutio Antoniniana. De uitgestrektheid van het rijk en de gebrekkige verbindingen maakten het uiteraard onmogelijk dat al deze romeinse burgers ook effectief van hun rechten, bv. als lid van de volksvergadering, gebruik maakten. Ofschoon vele provinciebewoners tot de hoogste posities doordrongen, voerden toch, militaire ingrepen buiten beschouwing gelaten, de burgers uit de stad in verscheidene colleges de boventoon: zij kunnen als R. in engere zin beschouwd worden.


Lit. Enkele algemene beschouwingen: A. Grenier, Le génie romain dans la religion, la pensée et Part (Paris 1924, ²1969; engelse vertaling: The Roman Spirit in Religion, Thought in Art, New York 1970). U. Kahrstedt, Kulturgeschichte der römischen Kaiserzeit (München 1944, ²Bern 1958). P. Grimal, La civilisation romaine (Paris 1960). M. Grant, The World of Rome (London 1960; duitse vertaling: Rom. Porträt einer Weltkultur, München 1975). G. Giannelli/U. E. Paoli ed., Tutto su Roma antica (Florence 1963; duitse vertaling: Rom und seine grosse Zeit, Würzburg 1963, ³1972). J. P. Balsdon ed., The Romans (London 1965).


(I) Dagelijks leven.


Lit. Algemene overzichten: J. Marquardt, Das Privatleben der Römer (Leipzig 1879-1882, ²1886 = Darmstadt 1975). H. Blümner, Die römischen Privataltertümer³ (München 1911). L. Friedländer/G. Wissowa, Darstellungen aus der Sittengeschichte Roms in der Zeit ven Augustus bis zum Ausgang der Antonine 1-410 (Leipzig 1921-1923 = Aalen 1963). J. Carcopino, La vie quotidienne à Rome à l'apogée de l'empire (Paris 1939, vele malen herdrukt en in vele talen vertaald; nederlandse vertaling: Het dagelijkse leven in het oude Rome 1-2, Utrecht/Antwerpen 1958). U. E. Paoli, Vita Romana (Florence 1945, vele malen herdrukt en vertaald; nederlandse vertaling: Vita Romana. Het leven in het oude Rome, Amsterdam 1950, ²1954). M. Johnston, Roman Life (New York/ Chicago 1957). F. R. Cowell, Everyday Life in Ancient Rome (London/New York 1961). J. P. Balsdon, Life and Leisure in Ancient Rome (London 1969).


(A) Samenstelling van de bevolking in de loop der tijden. De bewoners van het oudste Rome bestonden uit ter plaatse woonachtige Latijnen en Sabijnen, die zich spoedig in één gemeenschap verenigden en samensmolten tot R. Het romeinse recht onderscheidde burgers, vreemdelingen en slaven. De oudromeinse burgerij viel uiteen in twee standen, de voorname patricii en de niet gelijkgerechtigde plebeii (plebs); als tussenvorm kunnen de equites gelden. Toen door gelijkstelling in rechten dit onderscheid in de 4e en 3e eeuw vC vervaagde, kwamen nieuwe klassen op: de ambtsadel van de nobiles stond voortaan .tegenover de ignobiles, wat zijn politieke neerslag vond in de partijen van (optimates en populares, die zich vooral in de 1e eeuw vC deden gelden. In de keizertijd vervaagde ook deze tegenstelling.

Zoals in elke maatschappij verschilden ook in de romeinse bepaalde -bevolkingsgroepen in sociaal- economisch opzicht sterk van elkaar: er waren rijken en armen, geletterden en ongeletterden, invloedrijken en onbetekenenden. Het staatsrecht kende bovendien ook in latere tijd burgers die in het volle bezit van het romeinse burgerrecht (civitas) waren en vrije ingezetenen met een beperkt burgerrecht. Dit laatste kon een civitas sine suffragio zijn, die verleend werd aan met Rome verbonden, maar zich zelf besturende municipia, of het latijnse burgerrecht (ius Latii). Beide kunnen worden beschouwd als een aanloop tot het volledige romeinse burgerrecht, dat in incidentele gevallen kon worden toegekend en door de constitutio Antoniniana (212 nC) aan alle vrije ingezetenen van het rijk werd verleend.

Vreemdelingen (peregrini) waren vrije burgers van een andere staat, ook wanneer deze deel uitmaakte van het romeinse rijk. Zo bleven de socii Italici tot 89 vC de status van peregrinus behouden; in dat jaar werd hun het romeinse burgerrecht verleend. In de keizertijd bereikte de toevloed van vreemdelingen die zich in Rome, de havensteden en ook in het leger nestelden een hoogtepunt; niet zelden bereikten zij er hoge posities.

Slaven tenslotte waren onvrij en als zodanig van alle rechten verstoken. Verkregen vrijheid was soms nog aan beperkingen onderworpen (manumissio). Slaaf werd men door geboorte of krijgsgevangenschap.

De schattingen van de bevolkingsaantallen van Rome, Italië en het romeinse rijk komen langs indirecte weg tot stand en lopen derhalve sterk uiteen. De gegevens van de census leveren voor het jaar 234 vC het getal 270.000 op, voor 131 vC 318.000 en voor de tijd na de bondgenotenoorlog 910.000 (70 vC); deze getallen betreffen de volwassen mannelijke burgers, die ongeveer een derde van de gehele vrije bevolking uitmaakten; daarbij kwamen dan nog de slaven. Het totale aantal romeinse burgers, inclusief vrouwen en kinderen, in Italië en daarbuiten wordt voor 70 vC op 4.500.000, voor 47 nC op bijna 6.000.000 geschat. Voor de bevolking van de stad Rome biedt het aantal van hen die gratis graan ontvingen enig houvast. Onder Augustus bedroeg hun aantal 250.000; de stad moet toen ca. 1.000.000 inwoners geteld hebben. Het aantal inwoners van het gehele keizerrijk in de 1e eeuw nC wordt door Beloch op 54.000.000 geschat.


Lit. K. Beloch, Die Bevölkerung der griechisch-römischen Welt (Leipzig 1886). A. von Gerkan, Die Einwohnerzahl Roms in der Kaiserzeit (Mitteilungen des Deutschen Archäologischen Instituts, Römische Abteilung 55, 1940, 149-195). Id., Weiteres zur Einwohnerzahl Roms in der Kaiserzeit (ib. 58, 1943, 213-243). F. Maier, Römische Bevölkerungsgeschichte und Inschriftenstatistik (Historia 2, 1953, 318-351). J. Gagé, Les classes sociales dans l'empire romain (Paris 1964). P. A. Brunt, Italian Manpower 225 B.C.-A.D. 14 (Oxford 1971). Id., Social Conflicts in the Roman Republic (London 1971). C. García Merino, Análisis sobre el estudio de la demografia de la Antigüedad y un nuevo método para la época romana (Valladolid 1974). P. Salmon, Population et dépopulation dans l'Empire romain (Collectien Latomus 137, Bruxelles 1974).


(B) Kleding en haardracht. De romeinse mannenkleding onderscheidde zich in vele opzichten van die van de vrouwen. In huis droeg de man een korte, ongeveer tot de knieën reikende, tunica, een hemdvormig kledingstuk van wol of linnen, dat als onderkleed ging fungeren toen de waarschijnlijk van de Etruriërs overgenomen toga de voor R. voorgeschreven, voor vreemdelingen verboden officiële dracht buitenshuis werd. Tot het einde van de oudheid bleef de toga, een grote halfcirkelvormige of ellipsvormige grijs-witte wollen lap die over de linkerschouder naar achteren, via de rug onder of boven de rechterarm weer naar voren en vervolgens via de borst nogmaals over de linkerschouder gedrapeerd werd, het officiële gewaad. Door de wijze van dragen en het aanbrengen van bepaalde onderscheidingstekens kende het allerlei variaties. Zo droegen minderjarige jongens, curulische magistraten en sommige priesters een toga praetexta, die afgezet was met een purperen zoom, degenen die naar een openbaar ambt dongen, een opvallend witte toga candida (vandaaf de naam candidatus voor de drager), rouwenden en aangeklaagden herkende men aan de donkergekleurde toga pulla, een triumphator aan de purperkleurige geborduurde toga picta of palmata. De tunica van senatoren was vóór (en achter?) voorzien van twee brede verticale strepen (lati clavi, vandaar tunica laticlavia), die van equites van twee smalle (angusti clavi, vandaar tunica angusticlavia).

Speciale gelegenheden vereisten speciale kledij. Bij een banket droeg men over de tunica vaak de lichte. en helder gekleurde synthesis, bij koud weer een ruime, grove mantel (lacerna), op reis een soort cape met capuchon (paenula). Soldaten droegen een korte mantel (sagum), officieren het langere paludamentum. Onpraktisch en kostbaar als de toga was, werd deze sinds de 2e eeuw vC door velen vervangen door het eenvoudiger pallium.

De vrouw droeg een lange, oorspronkelijk mouwloze tunica (tunica recta). In de keizertijd kwam daarnaast de van mouwen voorziene tunica manicata op, waaruit zich de dalmatica ontwikkelde. Tot de vrouwenkleding behoorde ook een brassière (strophium, jascia pectoralis). Over de tunica droeg de vrouw een tot de voeten reikende stola met mouwen en gordel. Buitenshuis werd daarover, naar eigen smaak, een rechthoekige palla geslagen, het vrouwelijk pendant van het pallium.

Hoeden droegen de R. uiterst zelden; bekend zijn een breedgerande mannehoed en een ronde dameshoed. Het schoeisel daarentegen kende een grote variatie. In huis droeg men vooral sandalen. Bij de toga hoorde echter een calceus, waarvan de calceus patricius en de calceus senatorius bijzondere vormen waren. De laatste was van rood leer en voorzien van een ivoren halve maan en van riemen die om de benen gewonden en aan de voorzijde vastgebonden werden. Boeren, soldaten en voerlui droegen een hoge rijglaars (caliga).

Omstreeks 300 vC zouden zich vanuit Sicilië de eerste kappers in Rome gevestigd hebben. Het oorspronkelijk lange hoofdhaar werd later door de mannen kort gedragen. Vanaf ca. 200 vC tot in de 2e eeuw nC schoren de R. hun baard; alleen oudere mannen, wijsgeren en arme lieden lieten hem staan. In de keizertijd richtte de haardracht zich sterk naar het voorbeeld van het keizerlijk paar. De door Hadrianus ingevoerde griekse baardmode verdween weer onder Constantijn. De vrouwenbeelden geven in de keizertijd een ongekende variatie van kapsels te zien. Het verven van haar was al vroeg verbreid; ook pruiken waren niet onbekend.

Als sieraad droeg de vrije man een ring (anulus), die tevens als zegelring kon dienen. In de keizertijd voegden zich hierbij meerdere sierringen. De tooi van de vrouw omvatte haarspelden en haarlinten, voorts oorbellen en halssnoeren, sierspelden (fibulae), armbanden en vingerringen, alsmede soms grote enkelringen. Dit alles was niet zelden van zeer kostbaar materiaal en uiterst kunstig bewerkt.


Lit. Kleding: F. Goethert (PRE 6A, 1651-1660 s.v. Toga). Hug (PRE 2A, 741-758 s.v. Schuh). - W. Amelung, Die Gewandung der alten Griechen und Römer (Leipzig 1903). L. Heuzey, Histoire du costume antique (Paris 1922). L. M. Wilson] The Roman Toga (Baltimore 1924). Id., The Clothing of the Ancient Romans (ib. 1938). J. Laver, Costume in Antiquity (London 1964).

Haardracht: J. Steininger (PRE 7, 2135-2150 s.v. Haartracht B. Rom). M. Stephan (PRE Suppl. 6, 1935, 90-102 s.v. Haartracht). - M. Wegner, Datierung römischer Haartrachten (Archäologischer Anzeiger 53, 1938, 276-327). K. Wessel, Römische Frauenfrisuren von der severischen bis zur konstantinischen Zeit (ib. 61/62, 1946/1947, 62-76).

Sieraden: E. Coche de la Ferté, Les bijoux antiques (Paris 1956). Id., Antiker Schmuck (Bern 1961; engelse vertaling: Antique Jewelry, Bern/New York 1962). R. A. Higgins, Greek and Roman Jewellery (London 1962). Astrid Böhme, Schmuck der römischen Frau (Stuttgart 1974). A. Greifenhagen, Schmuck der alten Welt (Berlin 1974, ²1975).


(C) Omgangsvormen. De nuchtere en harde aard van - de R. was bepalend voor hun omgangsvormen. Van ijdele plichtplegingen was daarbij nauwelijks sprake. Hun begroeting met ave en salve, of met het salutem uit de brieven van Cicero, hield een heilwens in. Hun onderlinge betrekkingen werden in sterke mate bepaald door hun zin voor orde en discipline, die leidde tot een straffe reglementering. Ouderdom, rang en positie werden streng gerespecteerd.

Uiteraard speelde ook eigenbelang een rol. De positie van de pater familias en de plaats van de vrouw in het gezin dwongen tot eerbied en gehoorzaamheid jegens hen; dit gold voor kinderen zo goed als voor slaven en clientes.

Een eerste vereiste in het maatschappelijk verkeer was het rekening te houden met andermans rang en sociale positie. Dit bracht talrijke verplichtingen met zich mee, die een groot deel van de dag vulden. De eerste uren daarvan werden besteed aan ontvangsten. Clientes brachten dan hun patronus de morgengroet, anderen kwamen uit hoffelijkheid of om een gunst. Bij verloving, huwelijk, geboorte, ziekte en begrafenis, het aannemen van de toga virilis, het aanvaarden van een ambt of het vertrek naar een provincie diende belangstelling getoond te worden. Koop en verkoop, processen, verkiezingen en het opmaken van oorkonden vereisten hoffelijke belangstelling. Dankbaarheid voor de betoonde eer en voor een grote opkomst werd vaak uitgedrukt in een gelduitdeling.

Ook behoorde het tot de bon ton voordrachten van schrijvers, redenaars en geleerden bij te wonen. Voor het doen van zaken en voor de gezelligheid zocht men openbare gebouwen als tempels, fonteinen, zuilengalerijen, thermen, theaters en boekerijen op, alsook plaatsen waar kappers en artsén hun bedrijf uitoefenden. Daar trof men zijn kennissenkring.

Van een gastmaal waren de vrouwen oorspronkelijk uitgesloten. Eenmaal toegelaten (1e eeuw vC) zaten zij aan, terwijl de mannen lagen: de schoenen uit, in een gemakkelijke kleding, geparfumeerd en met een krans op het hoofd. Alleen vrouwen met een slechte reputatie lagen ook. Aan tafel gold een strenge rangorde: de hoogstgeplaatste bezette de locus consularis. Tijdens de maaltijd dienden alle gasten de gelegenheid te krijgen het woord te voeren. Geestigheid (urbanitas) werd daarbij hoog gewaardeerd. Vaak vervielen de R. echter tot grofheden, die ook bekend zijn van de reacties van het publiek in het theater, bij begrafenissen en bij triomftochten.

In de keizertijd diende de hofetiquette tot voorbeeld en navolging.


Lit. De desbetreffende hoofdstukken in de hierboven (in de aanhef van I. Dagelijks leven) vermelde algemene overzichten.


(D) Opvoeding en onderwijs, sport en spel. De opvoeding van kinderen geschiedde tot in de 3e en 2e eeuw vC geheel in de huiselijke kring. De voorouderlijke praktijk daarbij was gericht op persoonlijke vorming en politiek gedrag. Ook het eerste onderricht werd gegeven door de ouders. De jongens leerden van de vader de beginselen van de landbouw of een ambacht, maar ook van het gevecht, de meisjes van de moeder huiselijke bezigheden. Godsdienstige en ethische opvattingen namen daarbij een fundamentele plaats in. Graag liet de vader zich door zijn zonen naar allerlei gebeurtenissen vergezellen, waardoor zij op de hoogte raakten van het functioneren van het staatkundig, godsdienstig en maatschappelijk leven en leerden zich in het groepspatroon in te passen. Wetten en gebruiken speelden daarbij een grote rol. Zelfs in Cicero's tijd moest de jeugd nog de wetten van de Twaalf Tafelen van buiten leren. Door het aannemen van de toga virilis (17 jaar) werd de jonge Romein van puer tot adulescens bevorderd.

In dit systeem bracht de kennismaking met de griekse cultuur in de 3e eeuw vC een diepgaande verandering. In die tijd zou te Rome de eerste school geopend zijn (Carvilius). Steeds meer bezochten Grieken de stad. en wekten bij de R. intellectuele belangstelling. Weldra ontstonden er particuliere scholen voor elementair onderwijs (ludus), waar een leraar (litterator) tegen een bescheiden vergoeding les gaf. De meer ontwikkelde Romein werd nu tweetalig. Evenals in Griekenland begeleidde nu ook te Rome een paedagogus zijn pupil naar school en zag toe op zijn gedrag, dat zich moest kenmerken door ingetogenheid.

Aan poëzie en muziek werden in het onderwijs een belangrijke plaats en een grote morele waarde toegekend. Horatius benadrukt later ook het grote belang van de arithmetica voor de praktische Romein. Na de 2e punische oorlog deed de vervolgschool van de grammaticus haar intrede. Daar lazen en memoriseerden de kinderen griekse en latijnse teksten, die door de leraar ter bevordering van de algemene kennis van een commentaar (enarratio) werden voorzien; deze betrof geschiedenis en aardrijkskunde, natuurkunde en astronomie.

In de 2e en 1e eeuw vC kwam ook de school van de retor op, waar men leerde spreken over opgegeven, vaak zeer gezochte onderwerpen, wat vaak tot zeer gekunstelde resultaten leidde (retorica II).

Tot in de 4e eeuw nC waren de romeinse scholen tweetalig, waarbij de aandacht die aan het Grieks geschonken werd weliswaar sterk gevarieerd heeft, maar pas in de 3e eeuw duidelijk afnam. Van griekse gouverneurs in romeinse gezinnen en van griekse bibliotheken ging bovendien een grote invloed uit. De keizertijd bracht het hoger onderwijs, dat zich uit de retorenschool ontwikkelde, tot grote bloei. Bekende 'universiteiten' bestonden o.a. te Rome, Athene, Rhodus, Pergamum, Antiochië, Alexandrië en Carthago. Een brede algemene ontwikkeling gold er als een zaak van primair belang; technische vakken werden niet tot de artes liberales (tw. grammatica, rhetorica, dialectica, geometria, arithmetica, astronomia, musica) gerekend. Het ciceroniaanse ideaal van de humanitas, dat studie met een gezond karakter verbond, zette zich voort in de keizertijd en beïnvloedde o.m. sterk Quintilianus.

Aparte schoolgebouwen kenden de R. niet; men behielp zich met een gehuurd vertrek. Het schooljaar begon in maart en kende iedere 9e dag en uiteraard de feestdagen als vrije dagen. De schooldag omvatte zes lesuren. Lijfstraffen waren niet ongewoon. Het onderwijs aan meisjes stond ver ten achter bij dat aan jongens.

De belangstelling van staatswege voor het onderwijs ontwaakte slechts geleidelijk. Caesar stelde de leraren in de artes liberales vrij van belasting. Vespasianus benoemde docenten op door hem gesubsidieerde leerstoelen in de griekse en latijnse retorica. Ook van Traianus en Marcus Aurelius zijn onderwijsvoorzieningen bekend. Antoninus Pius stelde zelfs provinciesteden verantwoordelijk voor de instandhouding van scholen en gaf hun het recht leraren te benoemen onder keizerlijke supervisie. In de 3e eeuw nC hadden de keizers een aanzienlijke controle op de scholen; Diocletianus stelde bij edict het salaris voor alle leraren vast.

De 4e eeuw gaf belangrijke veranderingen te zien, waaraan de opkomst van het christendom en van Constantinopel niet vreemd was. De geleidelijke verdwijning van het grieks uit het Westen maakte een einde aan de tweetalige romeinse traditie. Bovendien won het christendom, dat overigens in sterke mate gebruik maakte van de oude kaders, steeds meer veld. Keizer Justinianus ontsloeg tenslotte de niet-christelijke leraren en verbood de heidense filosofie (529 nC).

De romeinse jeugd legde zich uiteraard ook toe op sport en spel. Zij kende hoepel en tol, bouwde huisjes en reed stokpaardje, zij speelde even of oneven, kruis of munt en 'morra' (digitis micare) en spande muizen voor wagentjes. Tot de gezelschapsspelen behoorden een vangspel met touw, soldaatje, magistraatje en rechtertje spelen, alsook een noten- en notenwerpspel. Vanuit Griekenland vonden vlieger, schommel en wip, krijgertje, blindekoe, een konings- en een potspel ingang. Bij de groteren, die zich op touwspringen, bikkel- en dobbelspel toelegden, ontaardden deze laatste evenals het 'morra'-spel vaak in gokken, dat overigens bij de wet verboden was.

Tot de intelligentiespelen hoorden bordspelen als schaken (latrunculi) en een soort trik-trak-spel (backgammon) (duodecim scripta).

Oud was in Rome de zwemsport. 's Middags zwommen de jongens in de Tiber of gingen naar het Marsveld. De vele sporten die hier beoefend werden, werden tevens beschouwd als training voor de militaire dienst. Men reed er te paard of in wagens, kon er worstelen, discuswerpen en allerlei balspelen beoefenen.

Dansen, vaak onder zang- en muziekbegeleiding, gold voor mannen als ongepast en werd slechts door vrouwen en kinderen gedaan. Aan spelen, uitvoeringen en wedstrijden in circus en amfitheater nam men alleen als toeschouwer deel, maar ze speelden een zeer belangrijke rol in de ontspanning van de Romein, vooral in de keizertijd (ludi, gladiator).


Lit. Opvoeding en onderwijs: P. Ssymank, Das Hochschulwesen im römischen Kaiserreich bis zum Ausgang der Antike (Posen 1912; ²Amsterdam 1956). A. Gwynn, Roman Education from Cicero to Quintilian (Oxford 1926). M. Lechner, Erziehung und Bildung in der griechisch-römischen Antike (München 1933). H. I. Marrou, Histoire de l'éducation dans l'antiquité (Paris 1948, 1965; engelse vertaling: A History of Education in Antiquity, London/New York 1956; duitse vertaling: Geschichte der Erziehung im klassischen Altertum, Freiburg i.Br. 1957). R. Boulogne, De plaats van de paedagogus in de Romeinse cultuur (Diss. Groningen 1951). D. L. Clark, Rhetoric in Graeco-ltoman Education (New York 1957 = London 1963). S. F. Bonner, Education in Ancient Rome. From the elder Cato to the younger Pliny (London 1977).

Sport en spel: W. Richter, Die Spiele der Griechen und der Römer (Leipzig 1887; franse vertaling: Les jeux des grecs et des romains, Paris 1891). E. Schmidt, Spielzeug und Spiele der Kinder im klassischen Altertum. Mit Beispielen aus den Beständen des Deutschen Spielzeugmuseums Donneberg (Meiningen 1971). H. A. Harris, Sport in Greece and Kome (Ithaca/London 1972). Zie ook de desbetreffende hoofdstukken in de hierboven (in de aanhef van I. Dagelijks leven) vermelde algemene overzichten.


(E) Dagindeling, maaltijden en voedsel. De R. stonden, ongeacht het jaargetijde, steeds op omstreeks zonsopgang en gingen kort na zonsondergang slapen. Voor het dagelijkse werk was de, afhankelijk van de seizoenen 5 à 8 uur durende, voormiddag gereserveerd; een korte siësta, ontspanning en de hoofdmaaltijd vulden de namiddag.

Zowel de dag als de nacht werden elk ingedeeld in 12 gelijke, maar van dag tot dag in lengte variërende horae (uren), die te beginnen met zonsopgang resp. zonsondergang aangeduid werden als hora prima, secunda, tertia enz. tot en met duodecima. Deze horae hadden dus slechts tweemaal per jaar, bij de dag-en-nachtevening, alle een duur van 60 moderne minuten; bij de wjnterzonnewende telde een hora overdag slechts ca. 44,5 en 's nachts ca. 75,5 moderne minuten, bij de zomerzonnewende was het precies omgekeerd. De R. kenden nog geen minuten en seconden. Het dagelijkse leven was in het antieke Rome nooit - evenmin als trouwens vrijwel overal in Europa tot ver in de 19.e eeuw - onderworpen aan de mathematische nauwkeurigheid die tegenwoordig heerst. Het gebruik van zonnewijzers (horologia) en wateruurwerken (clepsydrae) sinds de 2e eeuw vC bracht hierin nauwelijks verandering. Op het gebied van voedsel en maaltijden valt te Rome een ontwikkeling te constateren, die samenhangt met de steeds toenemende contacten met andere volken en de groeiende weelde. Aanvankelijk waren de maaltijden van een oer-romeinse eenvoud. Op het simpele ontbijt (ientaculum) volgden het middagmaal (cena) en in de late namiddag de vesperna. Alleen de vader lag, de overige disgenoten zaten aan tafel. Men at vooral gekookte groenten met varkensvlees, kaas, gevogelte en een dikke brij uit spelt- of bonenmeel. Velen teelden hun voedsel zelf. Reeds in de 2e eeuw vC opende de import ruimere mogelijkheden voor een meer afwisselend en subtieler menu. Naast het ientaculum, dat vooral uit brood en kaas bestond, onderscheidde men het prandium, een soort koude 'quick lunch' bestaande uit koud vlees, groenten, fruit en een beker wijn.

Hoofdmaal was de cena, die nu halverwege de namiddag aanving en kon duren tot de duisternis was ingevallen. De plaats hiervoor was oudtijds het atrium, later het cenaculum of het onder griekse invloed ingevoerde triclinium. Daarin stonden drie aanligbedden (summus, medius, imus lectus) opgesteld rond een tafel; de vierde zijde bleef vrij voor de bediening. Op ieder bed konden drie personen aanliggen. Daarbij werd streng gelet op de hiërarchische volgorde; de voornaamste gast kreeg de locus consularis toegewezen, de meest rechtse plaats op de medius lectus. In de keizertijd kwam een C-vormig ligbed in zwang.

Vanzelfsprekend zijn er op het thema 'maaltijden' vele variaties mogelijk. Vóór de maaltijd ontdeed men zich van zijn schoenen; gekleed in een gemakkelijke synthesis waste men zijn handen, tooide zich vaak met een bloemenkrans en plengde ter ere van de goden (libatio). Men at in de regel met de handen. Resten en dergelijke werden op de vloer geworpen, waar huisdieren zich erover ontfermden.

De keizertijd vooral kende weelderige gastmalen, die soms in orgiën ontaardden. Aan tafel waren de R. beslist geen gentlemen. Toch kwam ook soberheid nog voor, niet alleen bij de gewone man, maar ook bij een keizer als Traianus. Hygiënisten adviseerden bovendien met het oog op de gezondheid in plaats van het ontbijt een kop water te gebruiken. Een volledige cena omvatte echter minstens zeven gangen, ingeleid door eieren en besloten met fruit. Welk een vlucht de gastronomie nam, blijkt wel uit Petronius' Cena Trimalchionis en uit het 12e boek van Martialis' Epigrammata. Spijzen afkomstig uit alle delen van de wereld en fantastisch opgemaakte schotels vulden de dis. Muziek en dans, raadsels en voordrachten, acrobaten, clowns en gesprekken vulden de intermezzi. De spijzen verschilden ten dele sterk van de huidige. Onbekend waren aardappelen, boontjes, tomaten, koffie, thee en gedistilleerd; honing verving onze suiker, olijfolie onze boter, ei als bindmiddel was onbekend. In de 2e eeuw vC nam brood de plaats in van de voordien gebruikelijke pap, in de 3e/4e eeuw nC kwamen citroenen en sinaasappelen ter beschikking. Naast vlees van varkens, dat het meest in trek was, werd ook dat van wilde ezels en hazelmuizen gegeten. Kip was minder geliefd; wel vond men flamingo's, ooievaars, kraanvogels en pauwen op het menu.

Groenten, fruit en vis behoorden tot de hoofdspijzen; kleine gepekelde visjes waren volksvoedsel. De wijn werd steeds met water verdund. De bekendste italische wijnsoorten waren Falernum en Massicum uit Campanië, Albanum, Caecubum en Setinum uit Latium.

In vele opzichten verschilde de romeinse smaak van de onze. Dit blijkt uit combinaties als paddestoelen met honing, de voorliefde voor bedorven kaas, de vermenging van de meest scherpe en overzoete smaken en het veelvuldig gebruik van vissausen, die na een langdurig gistingsproces in kruiken bewaard werden en waarvan het zurige garum wel de bekendste is.


Lit. C. Seltman, Wine in the Ancient World (London 1917). T. Kleberg, Hôtels, restaurants et cabarets dans l'antiquité romaine. Études historiques et philologiques (Stockholm 1957). J. André, L'alimentation et la cuisine à Rome (Paris 1961). M. Ponsich/M. Tarradell, Garum et industries antiques de salaison dans la Méditerranée occidentale (Paris 1965). Zie ook de desbetreffende hoofdstukken in de hierboven (in de aanhef van I. Dagelijks leven) vermelde algemene overzichten.


(F) Woning en meubilair. Uit oude nederzettingen als het huis van Romulus op de Palatijn en uit de vorm van oude asurnen blijkt dat de oudste woningvorm in Italië een ronde hut was, die echter geleidelijk vervangen werd door een rechthoekig huistype, waarvan de Casa del Chirurgo te Pompeii (4e eeuw vC) een van de oudste voorbeelden is. Hierin neemt het atrium een centrale plaats in. Dit is een hal met een rechthoekige dakopening (compluvium), waar zich haard, eettafel, huisaltaar (Lararium) en kastjes met beelden van de voorouders (imagines maiorum) bevonden. De omliggende vensterloze vertrekken dienden om. als slaapkamers. Men kwam binnen door een ostium, dat bij handelaars e.d. gelegen was tussen twee winkelruimten (tabernae); het omvatte een antichambre (vestibulum) en een gang (fauces), waar eventueel een portier en een hond verbleven. In de 3e eeuw vC werd aan het atrium een tablinum toegevoegd. Tegenover de ingang gelegen, was dit aanvankelijk de plaats voor het echtelijk bed; later diende het als bureau en ontvangkamer. Twee open ruimten (alae) scheidden het tablinum van het atrium, dat in de 2e eeuw vC voorzien werd van een vergaarbak voor het binnenstromende regenwater (impluvium). De zijvertrekken (oeci) naast het tablinum fungeerden later als eetvertrek (triclinium). Hun naam wijst op griekse invloed, die zich ook manifesteerde in de uitbouw van de porticus, die achter het tablinum uitzag op de tuin (hortus), tot een vierzijdig peristylium of quadriporticus rondom deze. Hierop kwamen een aantal slaapkamers (cubicula) uit. Intussen ontwikkelde het atrium zich tot ontvangzaal.

Ostium, atrium, tablinum en peristylium van dit voor één familie bestemde huis lagen in één as. Door het ontbreken van vensters, zeker aan de benedenverdieping, was het als het ware geheel naar binnen gekeerd. Uiteraard kende dit voorname huis eenvoudiger en weelderiger vormen in talloze varianten. Vooral te Pompeji kan men zien hoe het versierd was met schilderingen, beeldwerk, mozaïeken en meubilair, en voorzien van huiskapellen, nymphaea en badruimten.

Naast het in wezen horizontale atrium-huis kwam in de 2e eeuw vC in de steden een verticaal gerichte meergezinswoning op met maximaal vier verdiepingen. Van dit stedelijke huurhuis (insula), bestemd voor eenvoudige lieden, vindt men vooral te Ostia talrijke voorbeelden (bv. Casa di Diana). Het atrium is hierbij vervangen door een centrale hof, vanwaar men via trappen toegang had tot de woningen, die tevens van hier en van de straatzijde licht ontvingen door talrijke vensters. Zo was deze bouw, die ook zijn varianten kende, meer naar buiten gericht. Aan de straatzijde lagen soms van arcaden voorziene winkels en waren langs de bovenverdiepingen balkons aangebracht Monumentale ingangen, wandpilasters, bogen en lijsten, alsmede bakstenen van diverse vorm en kleur en gelegd volgens verschillende technieken, gaven reliëf en kleur aan het geheel. Complexen als deze waren de voorlopers van de latere italiaanse palazzi.

Buiten de steden vindt men een landelijke woning (villa), waarvan de bouwvorm afgestemd is op het boerenbedrijf (villa rustica). De landheer bewoonde de vaak zeer luxueuze villa urbana, waaruit zich in de keizertijd de villa imperialis ontwikkelde. De romeinse woning had minder meubilair dan de onze. De oorspronkelijke eenvoud daarvan maakte onder griekse invloed en tengevolge van de economische ontwikkeling; plaats voor een grotere weelde; deze uitte zich in kostbaarder materiaal en in een kunstzinnige vormgeving van bedden en sofa's, stoelen, armstoelen en tafels, kasten en kisten, lampen en kandelabers, houtskoolfornuizen, vaatwerk voor keuken en tafel, spiegels en klokken.

Op de zeldzame koude dagen verwarmde men zich met een houtskoolvuur of -stoof; alleen grote rijke huizen en enkele openbare gebouwen bezaten, sinds de 1e eeuw vC, centrale verwarming (hypocaustum).


Lit. Woning: E. Fiechter (PRE 1A, 961-995 s.v. Römisches Haus). A. W. van Buren (PRE 8A, 2142-2159 s.v. Villa). R. Staccioli (EAA 2, 392-398 s.v. Casa). G. Mansuelli (EAA 7, 1166-1172 s.v. Villa). - C. Swoboda, Römische und romanische Paläste (Wien 1919, ²1924). P. Harsh, The Origins of the Insulae at Ostia (Memoirs of the American Academy in Rome 12, 1935, 7-66). P. Grimal, Les jardins romains (Diss. Paris 1943, ²1969). A. van Aken, Nieuwe wegen in de Romeinsche woningbouw van Sulla tot Domitianus (Diss. Utrecht 1943). G. Lugli, La tecnica edilizia romana 1-2 (Rome 1957). G. Mansuelli, Le ville del mondo romano (Milaan 1958). L. Crema, L'architettura romana (Turijn 1959). P. Hodge, The Roman House (London 1973). J. Boersma, Domus aedificatur (Amsterdam 1975). A. G. McKay, Houses, Villas and Palaces in the Roman World (London 1975).
Meubilair: F. Matz (EAA 1, 673-681 s.v. Arredamento). - G. M. Richter, Ancient Furniture. A history of Greek, Etruscan and Roman furniture (Oxford 1926). Id., The Furniture of the Greeks, Etruscans and Romans (London 1966).


(G) De positie van de vrouw; huwelijk en sexualiteit. Wat de positie van de vrouw betreft moet onderscheid gemaakt worden tussen haar plaats in huis en gezin en haar juridische status. Doordat het gezinsleven in Rome in hoog aanzien stond, verschilde de eerstbedoelde aanmerkelijk van die van de griekse vrouw. Als mater familias was de romeinse vrouw de gezellin en medewerkster van haar man, met wie zij niet alleen het gezag in huis maar ook rang en waardigheid deelde. Zij vergezelde hem dan ook bij allerlei gelegenheden. Strenge zeden legden haar echter enige beperkingen op. Tot de keizertijd lag zij niet, maar zat aan tafel; ook dronk zij geen wijn. Spinnen, weven en borduren hoorden tot haar huiselijke bezigheden.

In staatsrechtelijk opzicht stond de vrouw bij de man ver ten achter. Voor de uitoefening van iura publica en privata was de mannelijke sekse veteist. Bij een huwelijk cum manu ging de vrouw van het gezag van haar vader (patria potestas) over in de rechtsmacht van haar man. Huwde zij niet, dan bleef zij in patria potestate. In bepaalde gevallen kon zij zelfstandig worden (sui iuris), maar werd dan toch levenslang onder voogdij gesteld (tutela muliebris). Ook bij de vrije huwelijksvorm (sine manu) bleef de vrouw in patria potestate of sui iuris, zo zij dit was.

De strikte huwelijksvorm (cum manu) was aan zekere formaliteiten gebonden. Daarbij was de confarreatio een uit de patricische sfeer stammende godsdienstige plechtigheid, waarbij beide partijen ten overstaan van tien getuigen een speltkoek (panis farreus) nuttigden. Werd zo'n huwelijk door coemptio gesloten, dan kocht de man de manus over zijn vrouw door mancipatio en kan men spreken van een zuiver burgerlijk huwelijk. Een tussenvorm was het huwelijk door verjaring (usus), dat tot stand kwam door onafgebroken samenleven gedurende één jaar, maar verhinderd werd door een onderbreking van drie etmalen. Een huwelijk sine manu daarentegen was een volkomen informeel huwelijk.

Een wettig gehuwde vrouw heette uxor, een onwettige levensgezellin concubina. Het huwelijk, dat hoog in aanzien stond, werd ontbonden door de dood of door verlies van conubium. Toch kwam ook echtscheiding voor, hetzij op beider verzoek (divortium) of van één van de partijen (repudium). Bij een huwelijk cum manu ging alle eigendom die de vrouw meekreeg, inclusief de bruidschat, over op de man, na wiens dood zij met de rechten van een dochter deelde in de erfenis. Misstappen van de vrouw kon de man op grond van het ius vitae necisque bestraffen, oudtijds zelfs met de dood.

De romeinse gewoonte om meisjes op jeugdige leeftijd uit te huwelijken, ontnam haar veelal het eigen initiatief bij het zoeken naar een levensgezel. Dit was de taak van de vaders, die ook de verloving (sponsio) proclameerden. Met betrekking tot de echtelijke trouw genoot de man een grotere vrijheid dan zijn echtgenote. Hoog in aanzien stond de weduwe die niet hertrouwde (univira). Buitenechtelijke betrekkingen, prostitutie en homosexualiteit waren niet ongewoon. Van vormen en betekenis van de sexualiteit geven talrijke muurschilderingen in Pompeji alsmede werken als Ovidius' Ars amatoria en gedichten van Catullus een indruk. Verscheidene leden van aanzienlijke, zelfs keizerlijke families waren berucht om hun sexuele uitspattingen: Clodia, Iulia.


Lit. W. Kunkel (PRE 14, 2259-2286 s.v. Matrimonium). A. Ehrhardt (PRE 17, 1478-1489 s.v. Nuptiae). - E. Levy, Der Hergang der römischen Ehescheidung (Böhlau 1925). P. E. Corbett, The Roman Law of Marriage (Oxtord 1930). E. Kornemann, Grosse Frauen des Altertums im Rahmen zweitausendjährigen Weltgeschehens (Wiesbaden 1952). A. Marcadé, Roma Amor (Genève 1961). W. den Boer, Eros en Amor. Man en vrouw in Griekenland en Rome (Den Haag 1962). J. P. Balsdon, Roman Women. Their history and habits (London 1963). P. Grimal, L'amour à Rome (Paris 1963). E. Burck, Die Frau in der griechisch-römischen Antike (München 1969). V. Zinserling, Die Frau in Hellas und Rom (Stuttgart 1972). M. Humbert, Le remariage à Rome (Milaan 1972). M. Grant/A. Mulas, Eros a Pompei (Milaan 1974; nederlandse vertaling: Eros in Pompeii. Erotische taferelen uit het geheime kabinet van het museum van Napels, Amsterdam 1975).


(H) Geboorte, lijkbezorging en rouw. Een pasgeborene moest door zijn vader gelegitimeerd worden. Deze plechtigheid, die voor meisjes op de 8e, voor jongens op de 9e dag na de geboorte plaats had, voltrok zich bij de huiselijke haard. Als teken van erkenning nam de vader het kind van de grond op en sloot het in zijn armen. Na een zuivering kreeg het een gouden of leren amulet omgehangen en ontving het een praenomen. Weigering om het kind op te nemen hield in dat het te vondeling gelegd moest worden, wat gewoonlijk de dood betekende.

Kinderen geboren uit een matrimonium iustum bevonden zich in patria potestate, die in beginsel geen beperkingen kende. Wel verzette de openbare mening zich tegen misbruik ervan. Voor het toepassen van een zware straf behoorde de vader dan ook een consilium amicorum te raadplegen. In de keizertijd was de tussenkomst van de overheid vereist. Ook te vondeling leggen werd toen strafbaar gesteld. Volgens de Leges XII tabularum kon de vader een mismaakt kind terstond na de geboorte doden; ook kon hij een kind verkopen. Een kind in patria potestate kon geen eigendom bezitten, hoogstens een peculium dat de vader in bruikleen afstond.

Passende zorg voor overledenen was in Rome dure plicht. De op een sterfgeval volgende ingewikkelde plechtigheden werden ingegeven door piëteit jegens de gestorvenen. Terstond na het overlijden riepen de aanwezigen de dode luid bij zijn naam (conclamatio), waarop hij werd verzorgd en opgebaard in het atrium. Een muntje onder zijn tong diende als veergeld voor Charon. Het aantal lampen, bloemen, slingers en linten rond het lijk was in overeenstemming met de rang en welstand van de overledene. Intussen werd het haardvuur gedoofd en uitten vrouwelijké familieleden of gehuurde klaagvrouwen jammerklachten en maakten rouwmisbaar, waarbij haren werden uitgerukt, kleren verscheurd en borsten tot bloedens toe werden geslagen en gekrabd. Eenvoudige lieden werden nog dezelfde dag begraven, hooggeplaatsten lagen tot een week toe opgebaard.

Oorspronkelijk verbrandden de R. hun lijken, welke gewoonte ook in de keizertijd domineerde; met het christendom kreeg begraven de overhand. Cremeren en begraven geschiedde buiten de stad, bij voorkeur langs grote wegen als de Via Appia. De uitvaart ging vaak met uitgebreide en kostbare ceremonies gepaard, die door begrafenisondernemingen werden verzorgd. Ook kwamen begrafenissen op staatskosten voor. Een plechtige stoet omvatte muzikanten, fakkeldragers, klaagvrouwen, ja zelfs danseressen en mimen, die grappen ten koste van de overledene lanceerden; zo werd Vespasianus nog zijn gierigheid voor de voeten geworpen. Ook maskers van voorouders werden meegevoerd. De lijkstoet van een vooraanstaande figuur trok over het Forum, waar op de rostra een lijkrede (laudatio funebris) werd gehouden. Op de begrafenis volgde een rouwtijd van negen dagen (novemdial).

De graven varieerden overeenkomstig de positie van de dode. Asurnen van eenvoudige lieden werden gewoon in de grond gezet of bijeengeplaatst in een nisgraf (columbarium). Ook waren er langwerpige graven, gemetseld of uit terracotta-platen, waartussen het lijk werd gelegd. Rijken bouwden vaak zeer kostbare grafmonumenten, die met beeldwerk en inscripties versierd werden, of lieten hun doden in kostbare gebeeldhouwde sarcofagen leggen. Imposant zijn de nog bestaande grote cylindervormige grafmonumenten als dat van Caecilia Metella en de mausolea van Augustus en Hadrianus; befaamd ook is de grafpiramide van de volkstribuun Cestius.


Lit. Zie de desbetreffende hoofdstukken in de hierboven (in de aanhef van I. Dagelijks leven) vermelde werken. - E. Jonkers, A Few Reflexions on the Background of Augustus's Laws to Increase the Birth-Rate (Symbolae Van Oven, Leiden 1946, 285-296). J. M. C. Toynbee, Death and Burial in the Roman World (London 1971).


Rome